De Zwarte Zwadderneel

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en de Zwarte Zwadderneel (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De Zwarte Zwadderneel) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 9 mei 1957 en liep tot 10 juli van dat jaar. Thema: Wie een complot wil oprollen, organiseert het zelf.

Het verhaal

Heer Bommel zit in de tuin van zijn slot Bommelstein en leest zijn krant. Hij raakt over de beschreven slechtheid van de wereld in gesprek met zijn bediende Joost. Er zit ook nog eens onweer in de lucht en de bediende wijt dit aan de Zwarte Zwadderneel, die rond zou gaan. Burgemeester Dickerdack ergert zich op de Kleine Club eveneens aan de misselijke stukjes tegen de overheid en de politie. Als de kasteelheer de onbekende Zwarte Zwadderneel ter sprake brengt, krijgt hij een volmacht om als voorzitter van de “Commissie tot Bestrijding van de Narigheid “ zijn gang te gaan. De kasteelheer deelt nu zijn nieuwe zorgen met Joost, die hem gelukwenst met zijn benoeming. Hij declameert een versje over "De Zwarte".[1]

Een passerende familie Rins zegt wegens de toestand rondom de zwarte Zwadderneel te gaan emigreren. Heer Bommel besluit nu het kwaad echt te gaan bestrijden en bediende Joost pakt de Oude Schicht in voor zijn werkgever. De passerende journalist Argus schrijft een vlot cursiefje voor de Rommelbode. Tom Poes, de burgemeester en buurman de markies de Canteclaer nemen er notitie van in hun krant. De jonge vriend vreest moeilijkheden, de burgemeester vindt Bommel voortvarend en de markies gaat een nieuw gedicht samenstellen, “De klop van Zwadderneel”.

Heer Ollie gaat op zoek naar het onderwerp van het vers om het te bestrijden. Hij rijdt door het Donkere Bomen Bos naar de Zwarte Bergen , maar de enige die hij ontmoet is ene Zwadke Kornelisz, een zwartkijker, die alle narigheid aan de hovaardij en winderigheid van de wereld wijt, maar voor alles die wereld wil verbeteren. Narigheid zit van binnen. Zijn eigen zwakheid is een paraplu, die hij beschermend gebruikt tegen de regen die hem overal volgt. En verder meent hij: “Het rijden in automobielen leidt ten verderve, want men heeft niet voor niets voeten gekregen.” Echter de eerste de beste windvlaag doet zijn regenscherm al doelloos omklappen[2]. Zwadke stapt vervolgens in de Oude Schicht en rijdt onder zwakke protesten mee.

Heer Bommel neemt de reiziger mee terug uit de Zwarte Bergen naar zijn kasteel Bommelstein. Lekkage en totale stroomuitval worden hun deel. De zwart geklede man doceert dat het zoeken van ene Zwadderneel zinloos is. Hij bestaat niet en onze tegenspoed is het gevolg van onze eigen slechtheid. Het kwaad moet bestreden worden. Heer Bommel krijgt een zwarte band van zijn gast als hij hem verteld heeft van zijn opdracht als Commissievoorzitter ter Bestrijding van de Narigheid. Dit ten teken van hun verbondenheid.

Maar de volgende morgen wijst Zwadke de kasteelheer terecht wegens zijn zondige tabakskruid, waarmee hij zijn pijp placht te vullen. Heer Bommel vraagt nu aan bediende Joost of pijproken echt zo slecht is? Want wat is een Bommel zonder pijp? Joost wijst erop dat de zwarte opeens weg is en herinnert zich opeens het tweede couplet[3]. Heer Bommel krijgt wederom te maken met de familie Rins, die op Bommelstein komt wonen na advies van het gemeentehuis, in afwachting van hun emigratie. Na een scherpe interventie van Zwadke, ziet heer Bommel zich genoodzaakt het overheidsadvies te volgen en de familie Rins onderdak te verschaffen. Die maken vervolgens dankbaar misbruik van de geboden gastvrijheid. Twee jonge Rinsjes gooien commissaris Bulle Bas met steentjes, met als gevolg dat heer Bommel wordt opgeschreven omdat zijn zwarte broeder zich tegen hem keert.

Ook de ontsnapping van Super en Hieper uit de Rommeldamse gevangenis brengt verwijdering tussen de twee broeders. Als Zwadke in een café journalist Argus terechtwijst wegens zijn opruiend stukje over de twee ontsnapte gevangenen, worden ze buiten geworpen maar vinden samen hun weg naar de burgemeester. Heer Ollie en Zwadke ontvangen nu volmacht van de burgemeester om hem te vervangen tijdens zijn vakantie naar Het Zuiden. Nu kan er aangepakt worden en alle vermaak zal voortaan verboden zijn. Tapperijen worden gesloten en de kranten krijgen censuur. Bioscopen gaan dicht en de radio zal worden verboden. Commissaris Bulle Bas hoort het een en ander aan vanuit de burgemeesterskamer. Hij concludeert dat als alle vermakelijkheid wordt afgeschaft er niets dan narigheid van zal komen.

Bulle Bas weet net op tijd burgemeester Dickerdack in een vertrekkende trein richting Zuiden te waarschuwen. Hij vertelt dat het narigheid-duo alles wil gaan bestrijden! Cafés, kranten, bioscopen, radio en de tabak. Allemaal Winderigheid. Dickerdack keert terug op zijn post. Want hij kan nooit eens iets aan andere overlaten, want daar komt dan weer narigheid van! Bulle Bas beschuldigt de "zwarte broeders" ervan communisten te zijn. De burgemeester noemt ze oproerkraaiers. Met harde hand worden de twee commissieleden buiten geworpen.

Een volgende ochtend is Tom Poes op het bordes van slot Bommelstein in gesprek met bediende Joost. Als vervolg op de berichtgeving in de krant krijgt hij te horen dat heer Bommel de narigheid bestrijdt en daartoe de Zwarte Zwadderneel aan het zoeken is. Vervolgens neemt de trouwe knecht de moeilijkheden door, vooral met de nieuwe logés, de Rinsjes. Tom Poes zet zijn wandeling voort en komt de terneergeslagen heer Bommel en Zwadke Kornelisz tegen. Ze zijn buiten geworpen en zijn onderweg naar het Donkere Bomen Bos. Ook de familie Rins is onderweg, maar zij gaan naar het buitenland. Vader Rins declameert ten afscheid het laatste couplet van een oud versje[4].

In het Donkere Bomen Bos verheugt heer Bommel zich over de bloemenpracht. Zwadke zet de klaprozen en korenbloemen weg als schade voor het gewas. Winderige groeisels en vergif voor het vee, kwasterig bloeisel. Maar in hun gezamenlijke zwerftocht in het Donkere Bomen Bos lopen ze Terpen Tijn voor de voeten, die bezig is een eenhoorn op het linnen vast te leggen. Heer Bommel vindt het prachtig maar zijn zwarte compagnon noemt het moderne kunst en bovendien zwendel. De meesterschilder slaat Zwadke het schilderij door het hoofd, en het duo moet weer verder vluchten. Bij een waterval als elektrische centrale scheiden hun wegen en heer Bommel keert alleen terug naar het kasteel, vastbesloten om de Zwarte Zwadderneel nu echt te gaan zoeken. Zwadke verwenst zijn metgezel, die hun zwarte band verloochent. [5]

Markies de Canteclaer heeft intussen zijn inzichten over de Zwarte Zwadderneel tot een eigen gedicht bewerkt en op een tuinfeest zal hij het presenteren. Hij wenkt de passerende heer Bommel persoonlijk binnen. Die zet zich neer in een tuinstoel met parasol en verversing en hoort de markies aan. Hij declameert zijn eigen werk: “ De klop van Zwadderneel”[6]. Tom Poes, die langs wandelt, is er getuige van dat een zwart figuur met opgestoken paraplu, het tuinfeest betreedt. Tom Poes, die er al een tijdje het zijne van wilde weten, ontmaskert hem dan ook ter plekke als de Zwarte Zwadderneel[7] , waarop alle feestgangers hem verjagen uit de tuin en uit de stad Rommeldam. Heer Ollie gooit zijn zwarte band met hem letterlijk weg. Hij is diep ontdaan, omdat zijn metgezel de door hem gezochte persoon blijkt te zijn.

Heer Bommel klaagt tegenover Tom Poes dat hij in al zijn winderigheid zelf ook dacht dat er geen Zwarte Zwadderneel bestond en tegelijkertijd de zwarte zo zijn gang liet gaan. Maar burgemeester Dickerdack vindt daarentegen dat heer Ollie goed werk heeft gedaan door als enige de Zwarte Zwadderneel te herkennen en dat de grootste narigheid hiermee bestreden is. Maar ze konden hem niet pakken,hij was te vlug. Heer Bommel besluit daarop een eenvoudig doch voedzaam maal te serveren op Bommelstein. De burgemeester, de commissaris en de markies zijn aanwezig. Heer Bommel is weer de oude en laat zijn licht schijnen op zijn rol in het verhaal. Ten koste van veel zelfopoffering en narigheid had hij de Zwarte Zwadderneel aan de lijn gehouden, totdat hij hem met hulp van Tom Poes kon ontmaskeren.

Joost meldt toch nog enige problemen met de inwonende familie Rins, maar die worden opgelost doordat burgemeester Dickerdack ze persoonlijk van gemeentewege een emigratiepremie toezegt. Echter tijdens deze gebeurtenissen sloop Nelis Zwadke alweer door Rommeldam. Zijn geest was niet gebroken en het is zaak om ook na zijn ontmaskering paraat te blijven.

Voetnoot

  1. De wind is in de bomen
    De regen op 't struweel.
    Nu zal hij weldra komen:
    De Zwarte Zwadderneel!
  2. Dit nadeel van de omklappende paraplu stond een vijftigtal jaar later aan de basis van de “SENZ”-paraplu van ontwerper Gerwin Hoogendoorn.
  3. Het schuifelt in de blad’ren
    Het ritselt in ’t struweel
    Nu is hij aan het nad’ren
    De Zwarte Zwadderneel.
  4. Het zwerk is zwart en duister,
    De bliksemflits is geel.
    Er klinkt een hol gefluister:
    De Zwarte Zwadderneel.
  5. In De Volledige Werken verwerpt Marten Toonder stripstrook 3161. Heer Bommel ziet daarin een soort vliegende schotel landen waar een ruimtemanneke uitklimt. Hij bedenkt dat het aardig zou zijn zoiets te kunnen vertellen op de Kleine Club. Maar hij beseft dat zoiets winderigheid en hovaardij is. Bovendien bestaan die vliegende schotels niet! Als hij omkijkt is het verschijnsel verdwenen.
  6. Er knirt een knerp door ’t kreupelhout,
    De regen fezelt, de wind knoert koud.
    En over de heuv’len door het nat struweel,
    Sluipt sloom, de Zwarte Zwadderneel.
  7. Zwadke blijft het bestaan van de Zwarte Zwadderneel ontkennen.

Hoorspel

Voorganger:
De achtgever
Bommelsaga
9 mei 1957 - 10 juli 1957
Opvolger:
Het stenenbeenprobleem