De dankputters

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en de dankputters (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De dankputters) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 31 december 1958 en liep tot 22 april 1959. Het thema is de prijs van het goud.

Het verhaal

Buurvrouw Doddeltje koopt van een ruige vreemdeling van haar laatste spaarcentjes, 2000 florijnen, een eigendomsbewijs van de Dorado-goudmijn, zonder zich te realiseren dat ze misschien bedrogen wordt. Vervolgens attendeert ambtenaar Dorknoper haar door het venster op haar belastingschuld, die ze goedschiks of via een deurwaarder zal moeten voldoen. De bewust passerende heer Bommel betaalt de belastingschuld. Hij steunt de aankoop van de goudmijn, maar Dorknoper kenschetst het als een uitgeputte mijn. Vervolgens overhandigt de ambtenaar eerste klasse de kasteelheer persoonlijk een naheffing van het gemeentelijk waterleidingbedrijf, wegens een 27x te hoog waterverbruik.

Thuisgekomen op slot Bommelstein maakt de kasteelheer zich zorgen om de goudmijn van zijn buurvrouw en zijn eigen waterverbruik.[1] Ook de bediende Joost is in de nacht op onderzoek uitgegaan en heer Bommel belandt bovenop zijn trouwe bediende in de kelder. Enig nader onderzoek toont water aan in een put. Omdat de echoput antwoord geeft in plaats van een echo vlucht Joost weg. Heer Bommel draait nu persoonlijk de hoofdwaterkraan dicht en verzegelt deze met een ketting. Dan duiken er witte mannetjes op. Het zijn dankputtertjes en ze kunnen niet zonder water.[2] De kasteelheer strijkt zijn hand over zijn hart en draait de waterkraan weer open. Als dank beloven ze hem trouw als zijn persoonlijke dankputtertjes. Als hij “drip, drip, drip” roept staan ze paraat om een wens te vervullen.

Hun eerste actie is het ongedaan maken van de waterleidingnaheffing. Ambtenaar Dorknoper komt zijn excuus maken op het kasteel wegens een kleine misrekening. Er komt zelfs een aanzienlijk bedrag retour. Na zijn vertrek draagt Heer Bommel de dankputters op weer echt goud te stoppen in de goudmijn van de buurvrouw. Ze beloven een relatie in te schakelen.

Maar Doddeltje heeft het eigendomsbewijs inmiddels alweer doorverkocht voor één florijn aan Hiep Hieper. De voormalig circusdirecteur[3] moest in zijn onderhoud voorzien door middel van een kwijnende handel in lompen en metalen. Hij neemt het eigendomsbewijs dus van haar over en dat is jammer voor Doddeltje, want even later staat de dwerg Kornknakker voor haar deur met een valiesje vol goud voor de eigenaar van de goudmijn. Doddeltje zoekt hulp op het kasteel. Intussen heeft Bul Super echter het door hem waardeloos geachte papier weer doorverkocht voor 50 florijnen aan opkoper Prikkramer. De dwerg wendt zich intussen tot het zakenduo maar zij kunnen dus hem nu ook geen eigendomsbewijs meer tonen. Met een eenvoudige doch resolute stellingname weet de dwerg[4] te voorkomen dat de boeven met geweld het goud te pakken krijgen. Heer Bommel kijkt vanuit een fauteuil in het lorrenboerenpand tevreden pijprokend toe.

De kasteelheer wendt zich voor hulp tot een doodgewone rioolput. Hij wil als eerste de opkoper bereiken. Hij komt echter eerst Tom Poes tegen. Laatstgenoemde vertelt hem dat een opkoper Prikkramer bij hem het schuurtje heeft opgeruimd en hem bovendien tevergeefs heeft geprobeerd een eigendomsbewijs van een goudmijn te verkopen. Maar dat is volgens Tom Poes altijd zwendel. Aangekomen bij het schuurtje blijkt dat de opkoper het eigendomsbewijs alweer met winst heeft doorverkocht aan een vrachtrijder. Super komt ook te laat bij de opkoper en trekt maar weer eens zijn revolver. De dwerg komt tussenbeide en krijgt de naam door van de nieuwe eigenaar, vrachtrijder Todder. Laatstgenoemde is met oliedrums op weg naar het station van Stuipendrecht. Bul Super verliest zijn geduld en doorboort de hoed van de valiesdrager met een kogel. Maar Hiep Hieper ziet het een slagje anders. Het gaat immers niet om het koffertje, maar om de gehele goudmijn. Ze kunnen de dwerg beter te vriend houden. Hiep Hieper verontschuldigt zijn zakenvriend die aan “managersdisease” zou lijden. Opkoper Prikkramer behoudt bevend zijn winst en de dwerg verdwijnt met zijn valiesje.

Onderweg komen Super en Hieper op hun geleende motorfiets[5] de Oude Schicht tegen. De overbekende kopspijkertjes van Hiep Hieper doen het voertuig en de twee inzittenden tegen een boom belanden. Heer Ollie en Tom Poes weten met een beetje hulp bij een regenpijp toch nog voor de motorrijders het station van Stuipendrecht en de vrachtrijder te bereiken. Laatstgenoemde heeft het papier inmiddels wederom doorverkocht voor 500 florijnen aan de machinist op de sneltrein naar Basoembo. Zowel de twee vrienden als het zakenduo zetten de achtervolging in met de navolgende goederentrein. Heer Bommel en Tom Poes zitten verstopt in lege oliedrums. Super en Hieper zitten redelijk comfortabel tussen de vracht. Het vat van Heer Ollie valt onderweg uit de openstaande wagon en hij doet een nieuwe wens tot een dankputtertje: “Ik wil het papier hebben! Het eigendomsbewijs van de goudmijn van Doddeltje!”

Achternagezeten door boze boeren wordt de kasteelheer opgepikt door een klein vliegtuigje. Het misverstand is dat de piloot denkt dat Heer Bommel geheime agent K3 is. Als dat misverstand is opgehelderd schieten twee jachtvliegtuigen op het kleine vliegtuigje af. Heer Bommel moet met de parachute springen, maar landt netjes op de sneltrein naar Basoembo. Hij koopt het eigendomsbewijs van de machinist met een voldoende stapel bankbiljetten en steekt het in zijn binnenzak.

Op het volgende station wordt hij in staat van beschuldiging gesteld. Hij is de gezochte spion K3, die de plattegrond van de vesting Leemburg in zijn bezit blijkt te hebben.[6] Het leger wordt ingeschakeld onder leiding van kolonel Ruitenslager. De doodsbange Super en Hieper worden de sneltrein in geduwd door het leger, nadat hun goederentrein ook op het station moest stoppen. De dwerg meldt zich weer met zijn valies bij het leger. De kolonel Ruitenslager kan niet anders dan vaststellen dat spion K3 onder zijn ogen een beloning in goud krijgt overhandigd. De dwerg neemt de benen en tijdens de verwarring komt het bericht binnen dat spion K3 is gearresteerd en het vestingplan nooit is weggeweest. Heer Bommel krijgt onder een stevige uitbrander zijn eigendomsbewijs terug.[7]

Tom Poes en Hiep Hieper komen er gelijktijdig achter dat de goudmijn vlak bij Basoembo ligt. De zakenlui zitten comfortabel in de sneltrein. Heer Bommel koopt van de stationschef een pompzwengellorrie. Vlak voor de goudmijn raken ze de lorrie kwijt aan M’Wambo van de plaatselijke verzetsbeweging. Het zakenduo Super en Hieper komt zo als eerste bij de goudmijn. Super sluit de twee vrienden met getrokken revolver op in de goudmijn, met medeneming van de portefeuille van de kasteelheer voor de onkosten. Omdat hij niet meer gelooft dat de goudmijn goud bevat, mag Bommel de rest van zijn spullen houden. De plaatselijke gids, de eerlijke Hendrikus, wordt afgekocht met enige bankbiljetten uit de dikke portefeuille.

Een opgetrommelde dankputter wil onder zware druk[8] een laatste wens vervullen. “Laat me dan de dwerg met het goud vinden.” Heer Bommel grijpt vervolgens Tom Poes beet en samen tuimelen ze naar beneden en belanden in een grote grot.[9] De dwerg komt inderdaad en vertelt hun bij het overhandigen van het valies met goud dat de rotswanden nog vol goud zitten. Tom Poes pakt hierop een klaarliggend houweel en vindt zowel goud als water. De vaste bewoner,een grijsaard, duikt nu op en is blij dat het water de nieuwe goudzoekers zal tegenhouden. Maar ook de dankputters zijn meer dan blij. Ze kunnen eindelijk verhuizen uit Bommelstein. De twee vrienden wensen zich bijna verdrinkend naar buiten.

In het stationskoffiehuis van Rommeldam geeft Super onder toezien van commissaris Bulle Bas de portefeuille aan de binnenkomende kasteelheer terug. Teruggekeerd met een taxi op kasteel Bommelstein meldt bediende Joost het heugelijke nieuws van het droogvallen van de kelder. Op het afsluitende etentje van de twee reisvrienden met Doddeltje krijgt de buurvrouw tot haar grote vreugde het valiesje met goud overhandigd. Heer Bommel vindt dat hij veel aan Tom Poes heeft te danken, maar de buurvrouw meent dat de laatste juist een voorbeeld aan zijn vriend moet nemen. Tot slot komt ambtenaar Dorknoper Joost aan de voordeur een aanzienlijke navordering van het waterleidingbedrijf bezorgen. “Een ambtelijke vergissing.”

Achtergronden

Heer Bommel had al eerder ervaringen met een goudmijn opgedaan, in De geheimzinnige sleutel.

Voetnoot

  1. Zijn goede vader placht te zeggen: “Ollie jongen, zorg dat je je geld niet weggooit, want dan gaat het wel een rol spelen.”
  2. Het blijken de witte tegenhangers van de ‘moddermannetjes’ uit het verhaal De wenswerkster.
  3. Zie De zwelbast
  4. “Degene die het eigendomsbewijs heeft, is de eigenaar.”
  5. Volgens Bul joyriding, geen diefstal.
  6. Volgens de gealarmeerde Bulle Bas de sleutelvesting van de Rommeldamse waterlinie.
  7. Hij had gewenst niet meer voor een spion te worden aangezien. De dankputters vonden dit opeens de laatste wens.
  8. Ze vinden de kelder op Bommelstein te duur, vanwege de vele wensen.
  9. Heer Bommel meent overleden te zijn en zegt dat hij in het vagevuur is beland.
Voorganger:
De kiekvogel
Bommelsaga
31 december 1958 - 22 april 1959
Opvolger:
De feunix