De feunix

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en de feunix (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De feunix) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 23 april 1959 en liep tot 7 juli van dat jaar. Thema: De feunix als symbool van vernieuwing.

Het verhaal

Op een ochtend ziet Tom Poes een verhuiswagen voor het kasteel Bommelstein staan. Heer Ollie gaat echter niet verhuizen, maar hij heeft een oude kast op een veiling gekocht. Het kolossale meubel kan niet door het venster naar binnen. Dat lukt pas nadat een fraaie kroonlijst is afgebroken en op de tenen van bediende Joost is terechtgekomen. De langslopende markies de Canteclaer wil er ook het zijne van weten en betreedt het kasteelterrein. Hij herkent de beeltenis van de mythische vogel phoenix[1] en declameert een gedicht over deze vogel als zinnebeeld van het zich steeds vernieuwende leven. De door Tom Poes gealarmeerde metselaar herstelt vervolgens al snel de schade aan het venster. Heer Bommel plaatst vervolgens persoonlijk de kroonlijst met vogel weer boven op de kast.

De passerende meester-schilder Terpen Tijn wordt door heer Bommel naar binnen genodigd en haalt het ornament, de beeltenis van een feunix, er weer af. Heer Bommel had hem niet duidelijk kunnen maken dat de stijlvorm Rococo was, zodat de versierselen van de kast worden verwijderd. De kunstenaar adviseert "verder uitbijten" en vertrekt weer. Die avond zit de kasteelheer eenzaam terneergeslagen bij zijn nieuw verworven kast. Dan kondigt zich een echte Heer aan, die zijn ei probeert te slijten aan degene die de beste omgeving voor het uitkomen ervan biedt. Na een moeizame woordenwisseling met de grijsaard vertrekt de bezoeker, daarbij de kasteelheer handenwringend achterlatend. Heer Ollie haast zich nu om het ornament weer te herstellen en slot Bommelstein van alle hupsafladder te ontdoen. Hij meent nu de heer feunix zelf te hebben gezien.

De volgende dag gaat heer Bommel op zoek naar de verdwenen grijsaard op een geleende fiets van het neefje van Joost.[2] Hij zoekt hulp in zijn zoektocht bij zijn vriend Tom Poes. Laatstgenoemde heeft juist van zijn spaarcentjes een elektrische gitaar gekocht en was daarmee aan het oefenen. Hij kan naar waarheid meedelen dat hij de oude grijsaard niet heeft gezien. Maar juist als heer Bommel is vertrokken komt een oude man met een stok langs het huisje van Tom Poes. De oude declameert een eigen lied:

“De dagen komen, de dagen gaan. Mijn uur zal spoedig slaan. Kris kras krinkelbaan. Waar zal mijn wieg eens staan?”

Maar wanneer Tom Poes hem probeert te begeleiden op zijn nieuwverworven instrument, neemt de grijsaard schreiend de benen. Hupsafladder in uw luit! Hij laat Tom Poes onthutst achter, die wel beseft dat dit dus de foenix was. Intussen had heer Bommel zijn kruidenier Grootgrut ondervraagd over de verdwenen heer feunix. Tijdens dit gesprek komt Tom Poes hem opgewonden meedelen dat ook hij de oude heer heeft ontmoet. Heer Bommel raakt nu ontstemd over de ‘bietmuziek’ , terwijl Tom Poes juist meent dat de feunix het symbool van de vernieuwing is. Heer Bommel oordeelt echter dat moderne muziek gelijk is aan verwording.

Ook kruidenier Grootgrut komt op zijn ronde de oude grijsaard tegen. Die eet nog wel met smaak van een befaamde grutsprits, doch ontsteekt in woede bij het aanprijzen van pocketboeken, de oude meesterwerken in slappe kaft. Hij zwaait met een knuppel de boekverzameling van de middenstander tegen de grond. Vervolgens loopt hij verder waarbij commissaris Bulle Bas hem nog maar ternauwernood kan ontwijken. Bij de herstart van de motorfiets blijkt deze nog in zijn eerste versnelling te staan, waardoor de politiechef zich in de leenfiets van heer Bommel boort. De commissaris vertelt een verward verhaal over een oude grijsaard, die hem de les heeft gelezen. Door het woord “krinkelbaan” weet de kasteelheer dat hij de feunix weer op het spoor is. Hij brengt burgemeester Dickerdack en de markies de Canteclaer in het raadhuis ervan op de hoogte dat de oude heer feunix in de stad Rommeldam is. Terug op zijn kasteel wacht de heer feunix al op hem.

De feunix is nu ervan overtuigd dat zijn feunix-ei aldaar in goede handen is en hij verdwijnt. Op kasteel Bommelstein wordt de tijd teruggezet, water komt alleen nog maar uit een put, gekookt wordt er op houtvuur, de telefoon en de elektriciteit worden afgesloten. Bediende Joost dient zich te verplaatsen met een koets.[3] Het wordt hem zo allemaal te veel. Hij neemt afscheid van zijn werkgever met de zin: “Het is dat ei of ik”.

Hij wordt vervangen door de gans Wammes Waggel, die in zijn onhandigheid in de keuken ervoor zorgt dat de oostelijke vleugel van het oude slot afbrandt. Heer Ollie staat echter pal voor zijn ei. Hij geeft reporter Argus uitleg waarom hij het feunix-ei uit het brandende kasteel gered heeft. Want het is geen paasei! . Hij ontslaat Wammes Waggel en verhuist naar de leegstaande westvleugel, die gespaard is gebleven. De markies en de burgemeester maken zich na het verslag van journalist Argus in de Rommelbode grote zorgen over het feunix-ei. Ze schakelen nu de weeshuisvader Zielknijper in.[4] Hij laat het ei bebroeden in een vitrine. Terwijl de markies erop rekent dat bij volle maan het ei uit zal komen, haalt heer Bommel zijn ei hollend terug uit de stad Rommeldam waarna hij doorrent naar zijn slot Bommelstein. Daar legt Tom Poes hem het verschil uit tussen de oude feunix en de nieuwe die uit het ei zal komen.

Met volle maan komt het ei uit wanneer het door Tom Poes in de door hem in brand gestoken nieuw gekochte oude kast wordt gegooid. De jonge feunix blijkt uit geheel ander hout gesneden en is groot voorstander van vernieuwing. Hij leert dankzij de gitaarspelende Tom Poes snel de nieuwe waarden en normen van de tijd. Hij en Tom Poes vermaken zich uitstekend met de bietgitaar.[5] “Ik ben de hap, ik ben de hup, ik ben de hupsafladder.” De markies geeft in het bijzijn van de burgemeester heer Ollie nu zijn complimenten. “Noblesse oblige”. Ook Tom Poes krijgt complimenten, na de uitleg van de kasteelheer.

Bediende Joost keert terug naar het kasteel. Zijn zwager is aannemer en belast met het slopen van een oude stadswijk in Rommeldam. De burgemeester kon dit plan nu doordrukken wegens de denkbeelden van de jongeheer feunix. De oude heer feunix vond dat slopen maar niets, maar de jonge feunix steunt de burgemeester in diens sloopplannen. Het vrijkomende sloopmateriaal wordt gebruikt om Bommelstein met oud eikenhout in nieuwe glorie oud te herstellen. Ambtenaar Dorknoper komt hinderlijk informeren naar bouwvergunning en bouwplannen maar krijgt deze keer van de burgemeester het bevel Bommelstein en Bommel met rust te laten.

De burgemeester vraagt achtereenvolgens de feunix, Tom Poes[6] en Heer Bommel voor de "Commissie tot Vernieuwing van Rommeldam", maar ze weigeren alle drie om uiteenlopende redenen. De feunix stort zich met de gitaar van Tom Poes op de popmuziek. Joost serveert een slotmaaltijd voor de burgemeester, de markies en de twee vrienden.

Een jaar later kondigt een nieuwe oude feunix zich bij Joost aan. Hem wordt de deur gewezen. Tom Poes vindt dat heer Bommel zijn eigen taak heeft. Zijn vriend dankt hem voor zijn begrip.

Voetnoot

  1. Nieuwe spelling: feniks
  2. Zie het vorige verhaal: De dankputters waarin de Oude Schicht weer eens totaal ontwricht tegen een boom belandt. Het goede voertuig is nog in reparatie.
  3. De plaatjes werpen het kasteel terug naar het begin van de Bommelsaga.
  4. In zijn tweede optreden is hij nog steeds geen doctorandus.
  5. Stripstrook 3745 toont een dolblije gitaarspelende Tom Poes.
  6. De burgemeester vindt hem toch al te jong.
Voorganger:
De dankputters
Bommelsaga
23 april 1959 - 7 juli 1959
Opvolger:
De windhandel