De gezichtenhandel

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en de gezichtenhandel (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De gezichtenhandel of De plamoen[1]) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 9 februari 1961 en liep tot 22 april 1961. Het thema van het verhaal is gezichtsverlies.

Het verhaal

Midden in het Donkere Bomen Bos staat een oude ruïne, waar een plamoen woont. Deze heeft de eigenschap dat hij de angsten weerspiegelt van degenen die hem aankijken en die personen verliezen vervolgens hun gezicht.[2] Op een avond betreurt hij, gezeten op een steen, hardop zijn eigen lot. Hij wil graag net zo zijn als anderen en ook vrienden hebben. Zijn geklaag wordt opgevangen door een grijsaard, die later op de avond aanklopt bij de ruïne. De plamoen wijst hem erop dat het niet pluis is in zijn ruïne. Maar de bezoeker vindt pluis voor de braven. Met niet pluis kan men zaken doen. Hierop stapt hij naar binnen en kijkt zijn gastheer aan. Het valt hem niet mee, maar de oude man is door het leven gehard. Hij biedt hulp aan en die is meer dan welkom. Het is een voorstel tot samenwerking, want de grijsaard handelt nu eenmaal in gezichten.

Heer Bommel verdwaalt op zijn wandeling in het Donkere Bomen Bos en besluit de oude ruïne op te zoeken. Maar tot zijn verbazing is de vervallen ruïne omgetoverd in een fraai kasteel. Hij wordt ontvangen door de majordomus[3] Wammes Waggel. Hij heeft een betrekking met een petje en een hemd. Zijn taak is slechts om de bezoekers op hun gemak te stellen. Na een heerlijke maaltijd lukt het heer Bommel niet om zijn gastheer te spreken te krijgen. Volgens Wammes Waggel ziet zijn werkgever er eigenaardig uit. “Geen gezicht.” Tijdens zijn logeernacht verdwijnt heer Bommel zonder de gastheer te hebben gezien via aaneengeknoopte lakens uit het raam, bevangen door een voorgevoel.

Op de Kleine Club is de metamorfose van het oude jachtslot het gesprek van de dag. De Markies de Canteclaer, burgemeester Dickerdack en ambtenaar Dorknoper hebben alle drie een eigen invalshoek. De Markies de Canteclaer, burgemeester Dickerdack, ambtenaar Dorknoper en heer Bommel bij zijn tweede poging raken in de loop van het verhaal bij een afzonderlijk bezoek aan het paleis hun gezichten kwijt. De markies ziet "een stuitend volkstype", de ambtenaar ziet een 7 koppen "vol grove lust" en Heer Bommel ziet zichzelf. De plamoen is gehuld in een wit Ku Klux Klan-achtig gewaad met puntmuts, bekend van de toenmalige wasbaas Wammes Waggel uit het verhaal De herenopstand.

Tom Poes heeft op zijn onderzoektocht al eerder het omzwachtelde gezicht van de burgemeester aanschouwd en hem gewezen op de gezichtenhandel van magister Hocus Pas tegenover de Kleine Club. Hij probeert tevergeefs commissaris Bulle Bas te interesseren in de koets van Hocus Pas, die de plamoenbezoekers steeds een lift naar huis geeft en een handel in feestneuzen en gezichten is begonnen in de stad Rommeldam tegenover de Kleine Club. Burgemeester Dickerdack houdt verder onderzoek van zijn politiechef tegen. Tom Poes komt wel in gesprek met de plamoen, die vertelt dat hij samenwerkt met Hocus Pas om bezoekers te kunnen ontvangen. Tom Poes schrijft heer Bommel hierop een waarschuwend briefje om niet naar de plamoen te gaan. Zoals gewoonlijk is dit een aansporing voor de kasteelheer om zijn eigen zin te doen, wetende dat het er niet pluis is. Hij verliest zo zijn gezicht. Teruggekeerd legt hij aan bediende Joost en Tom Poes uit dat het gevreesde gezicht van de plamoen zijn eigen gezicht was. Dat betekent dat heer Bommel bang is voor zijn eigen positie.

Schilder Terpen Tijn geeft de gezichtloze Heer Bommel tijdelijk een nieuw vibrerend gezicht, afwasbaar met terpentijn, zodat hij niet op de duistere praktijken van Hocus Pas is aangewezen. Want de magister bewaart de verloren gezichten om ze te conserveren en er zelf mettertijd gebruik van te kunnen maken.

Tom Poes gaat ook een kijkje nemen binnen bij de plamoen, maar hij houdt de plamoen een spiegel voor en die wordt zo ontmaskerd, want hij staart in een gezichtloos gezicht. Hocus Pas kan de aanblik van de gezichtloze plamoen niet verdragen, want dat is voor hem het toppunt van gezichtsverlies. Zijn wagen met gezichten gaat in vlammen op en daarmee krijgen de gezichtlozen hun gezicht terug. Hocus Pas vliegt als een vogel het verhaal uit. Heer Bommel moet zich nog wel wassen met echte terpentijn om het meesterwerk van de schilder kwijt te raken. De andere slachtoffers zien meteen hun vertrouwde spiegelbeeld terug, nu de betovering is verbroken. Terpen Tijn moet eraan te pas komen om de als enige gezichtsloos gebleven plamoen alsnog een gezicht te schilderen. Maar dat doet hij graag want hij herkent in hem een artistiek geestverwant. Met afgewend hoofd brengt hij eerst een deklaag aan, want de schilder zag in het voorbijgaan de platste burgermanskop ooit. Maar hij brengt zijn schilderopdracht tot een goed einde en de plamoen is uiterst tevreden met zijn beschilderd uiterlijk.

De delegatie uit de Kleine Club constateert dat het jachtslot weer tot ruïne is vervallen. Op slot Bommelstein vertelt de kasteelheer aan de drie clubleden dat ze alle vier hun gezicht hadden verloren en dat de plamoen bij hem binnen is. Dorknoper wil rapport opmaken maar de burgemeester stelt voor de zaak te laten rusten, nu het kasteel weer tot ruïne is vervallen. Bediende Joost serveert de slotmaaltijd voor de burgemeester, de markies, de ambtenaar, de schilder, de twee vrienden en de plamoen. Heer Bommel bedankt Tom Poes, die op zijn beurt schilder Terpen Tijn lof toesteekt. En ook de plamoen krijgt zijn complimenten, die de aanwezigen voor ultiem gezichtsverlies heeft behoed. Laatstgenoemde staat intussen zijn beschilderd gezicht in een spiegel buiten de eetzaal te bewonderen.

Hoorspel

Voetnoot

  1. De gezichtenhandel is de oorspronkelijke titel van het verhaal, later is De plamoen in gebruik gekomen. Band 19 Volledige Werken drukt af: Tom Poes en de plamoen.
  2. Een plamoen is uiterst overgevoelig. Iedereen ziet in het gezicht van een plamoen datgene waar hij het meest bang voor is.
  3. Volgens zijn eigen zeggen majoor dommes
Voorganger:
Het Lemland
Bommelsaga
9 februari 1961 - 22 april 1961
Opvolger:
Het ontstoffen