De hupbloemerij

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en de hupbloemerij (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De hupbloemerij) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 24 januari 1968 en liep tot 8 april van dat jaar. Het thema is het gevaar van de op dat moment actuele flowerpower-beweging.

Het verhaal

Na zijn mislukte avontuur met de adrenaline-straler,[1] loopt professor Sickbock eenzaam op een landweg richting het woud. Hij heeft de wereld al veel zegeningen geschonken: wasmiddelen, zoetstoffen, insecten- en onkruidverdelgers. Bovendien heeft hij de grondslagen gelegd voor de computer, die tegenwoordig al het werk doet. Binnenkort zal niemand meer te hoeven werken maar er is geen dankbaarheid. Hij stuit in zijn overpeinzingen op magister Hocus Pas. Die neemt het op voor de natuur, maar de professor stelt de wetenschap boven de natuur. Zo komen ze op de zegeningen van de computer. Men heeft zo geen hersenen meer nodig. Aan het slot van het gesprek vraagt de magister wat men in de stad dan wel met zijn vrije tijd doet? De professor wil daar geen weet van hebben, maar daar begint de interesse van de magister wortel te schieten. Hij begint met het uitpersen van zijn kweek vleesetende planten.

De dwerg Kwetal brengt een bezoek aan zien vriend en tuinman Pee Pastinakel. Hij ziet Hocus Pas weglopen, die uit medelijden van Pee gratis een baaltje dollekervelzaad heeft gekregen. Pee kan moeilijk ’nee’ zeggen. Kwetal ziet na enig denkwerk het gevaar. De ‘fuskus’ van Hocus en de Dollekervel van Pee geeft ‘hupbloemerij’. Zo zal de vleesetende fuskus de zaden van de dollekervel doen ontkiemen op een ongekende plaats: Het hoofd! Op kasteel Bommelstein veroorzaakt kruidenier Grootgrut veel ongenoegen. Vanwege de invoering van de computer, die voortaan de rekeningen vervaardigt, heeft Heer Bommel nummer 11 gekregen.[2] Heer Bommel zegt vanwege het toegekende nummer zijn klandizie op. In de stad aangekomen, legt ambtenaar eerste klasse Dorknoper hem uit dat al de ambtenaren derde klasse zijn ontslagen na invoering van de computer. Inclusief overgangsregelingen en pensioen. “De heren hebben geen zorgen.” De kruidenier geeft de kasteelheer de allerlaatste bestelling mee bij het toevallig passeren. Het zijn kakelverse eitjes met als tekst op de rekening: “18 xyz en een halfje statiegeld voor nummer 11”

Omdat de kruidenier ook nog eens achter de uitkomst van de computer blijft staan,[3] retourneert de klant de bestelling op het hoofd van de middenstander. Heer Bommel legt de verbaasde Tom Poes uit dat nummers de plaats van heren aan het innemen zijn. Tom Poes werpt tegen dat door de computer, een soort rekenmachine, iedereen meer vrije tijd krijgt. Iedereen krijgt de kans om te spelen en vrolijk te zijn. Zijn vriend vindt spelen iets voor kleuters en vrolijk zijn komt pas van pas na een welbestede dagtaak. Bij het verder wandelen, passeren ze het stadsmonument, waar wat jongeren lusteloos rond hangen. Heer Bommel windt zich op over het gebruik van een gedenkteken voor straatslijperij.[4]

Bij terugkomst op het kasteel wacht ambtenaar eerste klasse Dorknoper hem op. Hij heeft een computeruitdraai betreffende de omzetbelasting van 70.000 miljard florijnen. De rest van de nullen is van het papier gelopen. Bij bezwaren moet de aangeslagene zijn nummer opgeven, nummer 11. De aangeslagen heer verscheurt de uitdraai en trapt de ambtenaar de deur uit. Als de geslagen ambtenaar buiten napraat met Tom Poes, zet de dolle heer de achtervolging in. Zo stuiten ze samen op de arbeiders van de nabijgelegen weverij, die maar halve dagen hoeven te werken. Het bedrijf is een beetje geautomatiseerd. Tom Poes vindt het fijn want weven is dom werk en nu krijgen zij ook tijd om van prettige dingen te gaan genieten, de natuur en zo. “Dat doet u toch zelf ook?”

In het Donkere Bomen Bos overpeinzen de aan lager wal geraakte zakenlieden Super en Hieper hun mogelijkheden. Super ziet wel iets in de vrijetijdsbestedingbranche, waarop magister Hocus P. Pas opduikt. Hij verdedigt de natuur en haalt zijn handel tevoorschijn: ‘Hupzaad’. Een kleine proefneming in de soep van Hiep Hieper brengt zakenman Super en magister Hocus Pas tot elkaar. De magister vertelt de verbaasde zakenman dat het zaad gratis is. Hij laat zijn bloemenkinderen zien, die kort leven en hun zaad nalaten aan de magister. Bul Super ziet nu echt weer eens Superzaken.

Op het kasteel klaagt bediende Joost bij het uitspellen van de krant over het bewerkelijke oude kasteel. Het ochtendblad staat vol met afwasmachines. Zijn zwager bij de gemeente hoeft nog maar halve dagen te werken. Vervolgens komt het duo Dorknoper en Bulle Bas nu gezamenlijk voor de omzetbelasting, die is teruggebracht tot 7000 miljard florijnen. Wammes Waggel verschijnt ten tonele met het strooien van droogbloemen onder het zingen van een eenvoudig lied.[5] De in de auto wachtende politiecommissaris vat Wammes in de kraag en voert hem af. De onderhandelingen over de omzetbelasting tussen Heer Bommel en de ambtenaar eerste klasse worden doorkruist door langshuppelende bloemen. Dorknoper stelt aan Bulle Bas voor de zaak maar ten stadhuize verder af te handelen. De huppelbloemen maken een serieus gesprek niet goed mogelijk.

Ook Heer Bommel is verbaasd over de dansende bloemen. Hij wordt in zijn overpeinzingen gestoord door zakenman Bul Super, die hem Hupzaden uit de natuur aanbiedt. [6] Tom Poes komt Wammes Waggel tegen, die ronddanst met de dansende bloemen. Wammes weigert het door Bul Super aangeboden hupwater, want dat stinkt. Op Bommelstein is inmiddels een grote zak hupzaad aangeschaft dat in de thee verdwijnt. Dat brengt de kasteelheer in een opperbeste stemming, de lucht is groen en hij huppelt voort. Ook Joost leert de theedrank te waarderen. Ook de markies de Canteclaer ziet zijn kans om zijn dichtkunst ten gehore te brengen van rondhuppelende bloemen.

Binnen het partnerschap Super en Hieper zijn de spanningen voelbaar. De zaken gaan goed maar Hiep Hieper is verslaafd aan hupzaad, maar krijgt niets. Op de Kleine Club houdt Heer Bommel een lezing van drie minuten over ‘de Schoonheid des Levens’, waarbij er priklimonade met hupzaad wordt aangeboden. Het gehoor begrijpt nu al bij voorbaat wat de kasteelheer bedoelt zonder dat hij het maar hoeft te zeggen. Bul Super wacht buiten op zaken en betrekt burgemeester Dickerdack in zijn klantenkring. Hij geeft de burgervader een zakje gratis hupzaad in ruil voor een rondleiding in het gemeentelijk computercentrum. Op Bommelstein is het een vrolijke boel, waarbij de kasteelheer een bloempje ziet groeien op het hoofd van Joost. Als Tom Poes een paar dagen later het kasteel bezoekt is het er een rotzooi. En er groeien nu ook bij zijn vriend bloemetjes op zijn hoofd. Op het stadscomputercentrum is er nog één technisch figuur werkzaam: een zekere meneer Knopdrukker. Die laatste maakt bezwaar tegen de bezoekers Super en Hieper, die door de burgemeester op hun verzoek worden rondgeleid.[7] Knopdrukker wordt afgevoerd door Bul Super na inname van een glaasje hupdrank, en vervolgens kan Hiep Hieper zijn plaats innemen.

De volgende morgen maken de burgemeester en heer Dorknoper zich vrolijk over de afwezige en sombere Bas. Die komt even later binnenstuiven met zijn ontslagbrief in de hand. Hij is op wachtgeld gesteld na ontactvol optreden tijdens een bloemendans. Volgens de burgemeester komt het ontslag van de computer[8] en dan is dat in orde. “Waarom maak je je toch druk, Bas?” Tom Poes loopt rond met een lange das om en leest in de krant dat Bul Super commissaris van politie is geworden; Bulle Bas staat op wachtgeld. Op Bommelstein ziet Tom Poes dat ambtenaar Dorknoper alsnog de omzetbelasting komt ophalen. Die is nu teruggebracht tot 7 miljard florijnen. Bediende Joost kiepert een kruiwagen bankbiljetten afkomstig uit de brandkast in de dienstauto en iedereen is tevreden. Tom Poes kan geen serieus gesprek meer voeren met zijn vriend. Alleen Wammes Waggel deelt zijn sombere stemming. De nieuwe bloemen stinken en je kunt ze niet plukken.

Rondom de stadsrekenmachine, waar Super en Hieper verblijven, stapelen de bankbiljetten zich op. Omdat Super nieuw hupzaad moet gaan halen mag zijn maat eventjes de stad in, maar hij moet van het hupzaad afblijven. Bij kruidenier Grootgrut kan hij echter geen ulevellen of kandijstokken krijgen. Alleen een drank van het merk Grut-up.[9] De handelaar in sportwagens wil hem ook niet bedienen. Op straat komt hij als fungerend wethouder de burgemeester tegen. Maar ook die is nergens van onder de indruk. Zelfs zijn eventueel ontslag als burgemeester stoort hem niet langer. “Je doet maar”, voegt hij wethouder Hieper toe. Aan het eind van de dag zit de nieuwe wethouder van de stad Rommeldam uitgeblust in een café. Tom Poes drinkt daar een glas melk en ziet zijn kans schoon wat hupzaad in Hiep zijn water te doen. Die vrolijkt op en geeft Tom Poes bruikbare inlichtingen over de locatie van de hupzaden en de bedoelingen met de stadscomputer.

Tom Poes ziet de vrachtwagen van de naar de stad terugkerende Bul Super. Hij volgt de bandensporen terug het bos in en stuit op de dwerg Kwetal. Die hoopt nog steeds op ingrijpen door de reus Bommel. Hij schrikt als hij hoort dat er bloemen uit diens hoofd groeien. Kwetal legt Tom Poes uit dat er mooie bloemen, gewone bloemen en slechte bloemen zijn. Slechte bloemen zijn de planten van Hocus en die moeten bedorven worden. Zijn bloemen lopen of groeien immers uit een denkraam. Hij geeft Tom Poes een halsloze buikfiool vol mee met bederfwater. Tom Poes loopt naar de watertoren van Rommeldam. Het toegangshek wordt bediend door de stadscomputer en is gesloten. Hij komt aldaar wederom Wammes Waggel tegen die daar een beetje woont en eigenlijk op zoek is naar een toeter. Wammes ontmoet op zijn beurt Hiep Hieper met een bloempje op zijn hoofd. Die weet te melden dat de stadscomputer een mooie toeter heeft. Bul Super is blij dat hij zijn maat heeft gevonden maar is boos over de bloemen die op zijn hoofd groeien. In het computercentrum heeft Wammes Waggel intussen al de toeter [10] van de computer afgesloopt en loopt er rond te blazen. Wammes zingt: “Mien, waar is mijn feestneus toch gebleven?” Bul Super ziet bij het binnengaan van het computercentrum dat er heel wat gesloopt is, van al datgene dat hoorde te werken.

Tom Poes merkt dat het afsluithek van de watertoren opeens open zwaait. Hij wordt met de fles op de rug betrapt door ex-commissaris Bulle Bas, die na 25 jaar dienst zijn natuur niet kan verloochenen. Hij legt hem rustig uit dat hij onkruidverdelger in het water heeft gedaan en dat daardoor iedereen helderder gedachten zal krijgen. De volgende morgen is Heer Bommel de eerste die al wassend de oude wordt. Ook Joost moet eraan geloven. De kasteelheer gaat, stiekem gevolgd door Bulle Bas, luidruchtig verhaal halen bij de burgemeester. Die benoemt onmiddellijk Bulle Bas vanuit zijn raam weer tot commissaris en geeft hem opdracht orde op zaken te stellen. Hij begint met de arrestatie van zijn voorganger, Bul Super, die wanhopig probeert de stadscomputer te repareren. Ook Hiep Hieper moet mee naar het bureau. Omdat Hiep zeurt om het op straat liggende zaad, vraagt Bulle Bas aan heer Bommel om nadere uitleg. Die vertelt dat het zaad niet deugt. Toen hij zich vanmorgen waste begreep hij dat opeens. Hierop besluit Bulle Bas het waterkanon in te zetten. Hij begrijpt opeens de eerdere scène in de watertoren. Ambtenaar Dorknoper moet er aan geloven en wordt ook opgeschrikt uit zijn plichtsverzuim.

Heer Bommel ziet Tom Poes op een steen zitten nadenken, als hijzelf al denkend terugloopt naar slot Bommelstein. Tom Poes is enthousiast over zijn middeltje in de watertoren. Maar hij zoekt nog Kwetal en Hocus Pas. Bij het kasteel aangekomen is ambtenaar Dorknoper er al, beleefd de hoed lichtend. De omzetbelasting bedroeg slechts 7,00 florijnen, wegens de inruil van een oude radio. Het gehele computerwezen zal moeten worden herzien. Toch vraagt hij begrip voor het gebruik van nummer 11 indien dat gekoppeld blijft aan de aanhef: “Geachte Heer”.

Joost serveerde bij de lunch een goudbruin kippetje voor de twee vrienden en de ambtenaar eerste klasse. Heer Bommel heft het glas en stelt dat als men ‘geacht’ wordt men zich wel bij een nummer kan neerleggen. Zo komt alles terecht wanneer een Bommel de zuivering van de stad ter hand neemt. En wederom veroorlooft Tom Poes zich de afsluitende opmerking: “Hm”.[11] De jonge vriend maakt zich bovendien nog steeds zorgen over Hocus Pas.

De oude man trof die middag echter zijn tuintje echter gezuiverd aan. Kwetal en Pee Pastinakel hadden een fiool bederver geleegd op de aanplant van de fuskus. Over de aanplant van Hocus Pas maakten ze zich zo geen zorgen meer. Echter staat de ‘kompjoetmachine’ nog in de stad, volgens Kwetal. En zolang die bestaat, zal de oude Pas daar terechtkunnen met hupbloemerij. “De natuur is nog groot, al wordt hij ook steeds kleiner, Pee. Er kan nog altijd fuskus gezaaid worden door het zwarte volkje!”

Voetnoot

  1. Zie het vorige verhaal: De kwade inblazingen
  2. Garmt Grootgrut is hier wederom zijn branchegenoten decennia voor.
  3. “Zo’n machine is secuurder dan u of ik, zeg nu zelf.”
  4. Een al te duidelijke verwijzing met tekening op stripstrook 6242 naar Amsterdam, Het Lieverdje.
  5. O wat zijn wij heden blij, er is een jarige in onze rij!”
  6. Aflevering 6256 wordt zowel bij de Bezige Bij als in de Volledige Werken verworpen. Bommel drinkt er zijn eerste glaasje met hupzaad en Hiep Hieper wil er meer van hebben.
  7. Bezoekers zijn volgens het reglement verboden
  8. Bul Super had Hiep Hieper deze computermutatie laten uitvoeren.
  9. De drank bevat hupzaad.
  10. Antwoordkoker met geluid
  11. De tweede opvolgende keer. Zie het vorige verhaal : De kwade inblazingen

Hoorspel

Voorganger:
De kwade inblazingen
Bommelsaga
24 januari 1968 - 8 april 1968
Opvolger:
De bevrijding van Sollidee