De kwade inblazingen

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en de kwade inblazingen (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De kwade inblazingen) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 7 november 1967 en liep tot 23 januari 1968. Thema: Wie goed doet, goed ontmoet.

Het verhaal

Laat in de herfst trekken de dwergen Coreander Hop en Kwetal naar het zuiden om te ipsen. Omdat Kwetal last heeft van zijn zware bepakking laat hij zijn oloroon achter bij een tuinmanshokje van het kasteel Bommelstein. Het apparaat is per ongeluk ingeschakeld. In dezelfde zuidwesterstorm is Joost op weg naar dit schuurtje om zijn pollepel op te halen die zowel in de keuken als in de tuin[1] wordt gebruikt. Omdat hij zo gauw in de rommel niets kan vinden doet hij de achterdeur open om meer licht toe te laten. Tot zijn grote verrassing komt er warm zonlicht naar binnen en hij kijkt uit over een onafzienbare vlakte met vreemde gewassen.

Heer Bommel zit tevreden in zijn leunstoel bij de open haard waarbij hij de op een poef gezeten Tom Poes herinneringen uit zijn jeugd vertelt. De kasteelheer moet erg lachen om het vreemde verhaal van zijn binnenstormende druipende bediende maar Tom Poes heeft meer belangstelling en treft het door Joost beschreven warme landschap inderdaad aan. Heer Bommel komt wat later opgewekt ter plaatse poolshoogte nemen maar constateert tot zijn schrik inderdaad een vreemd landschap achter zijn schuurtje.

Na een telefonisch verzoek aan het gemeentebestuur door de kasteelheer komt professor Prlwytzkofsky met zijn driewieler zich melden. Hij wil zijn assistent Alexander Pieps een bloedmonster laten nemen bij de twee vrienden, om alcoholmisbruik uit te sluiten.[2] Na inspectie van het schuurtje smeekt echter de professor zijn assistent bij hem zelf een bloedmonster te nemen. Terwijl de wetenschappers nog wat landmeetwerk verrichten, glippen Joost en na hem Tom Poes door het schuurtje naar binnen en gaan op onderzoek uit in het nieuwe warme landschap waar drie zonnen schijnen. Ze vinden er een groot meer. Het blijkt echter geen water maar een kleverige substantie te bevatten, nadat Joost er is ingedoken als was het een meer met water. Hij zit onder een stijfselachtige substantie wanneer hij door Tom Poes op de kant wordt getrokken. Uit het meer komen ogen het land op die bovendien lijken te kijken. Snel vluchten ze naar Bommelstein terug. Aldaar wekt de professor om 7.55 uur de kasteelheer met de mededeling dat hij zijn onderzoek heeft afgerond en met de telefoon van het kasteel brengt hij het gemeentebestuur op de hoogte van het aangetroffen landschap.

Terwijl Heer Bommel de driewieler nog nakijkt verschijnen alweer de ambtenaar eerste klasse Dorknoper en commissaris Bulle Bas gezamenlijk per auto bij het kasteel. Dorknoper heeft het over een stuk land dat niet aan de kasteelheer toebehoort, hoewel het kadastraal anders ligt. Bulle Bas vindt dat Bommel zoals gewoonlijk moet bekennen. Maar de ambtenaar eerste klasse ziet het een tikkeltje anders. Het staat nog niet vast dat er iets strafbaars is gepleegd maar er moet uitgezocht worden of het vreemde gebied onder de jurisdictie van de stad Rommeldam valt. Om het onderzoek niet verder te bemoeilijken wordt het schuurtje op last van Dorknoper door Bulle Bas verzegeld. Voordat hij daartoe kan overgaan, komen eerst Joost en Tom Poes eruit gerend. Omdat Joost slechts in zijn onderbroek is gekleed gaat de commissaris ook hem opschrijven. Hij wil Joost zijn zakken bovendien leeg laten halen maar de ambtenaar komt tussenbeide. Verzegelen, monster nemen van het stijfsel voor onderzoek en daarna zien we wel verder.

Journalist Argus probeert Heer Bommel tevergeefs een exclusief interview af te nemen voor een groot weekblad. Omdat zowel voor dat blad als voor de kasteelheer geld geen rol speelt leidt het tot niets. Professor Prlwytzkofsky brengt aan de burgemeester en de commissaris tussentijds verslag uit. Hij heeft protoplasma aangetroffen dat op gevoelsmatige denkstoten reageert! In dat buitenordentelijke gebied bevindt zich dus een stof, die beïnvloed kan worden door denkarbeid van buiten. Hier is grote omzichtigheid geboden. Er dienen geen ongeschoolden te worden toegelaten. Hierop vertrekt hij met zijn assistent terug naar het schuurtje. Bulle Bas fungeert aldaar als portier, met de afsluitende plank al in zijn hand. De professor en zijn assistent zien oogjes in de protoplasma-zee. Bij nadere bestudering door de professor komen er ook kleine baardmannetjes aan land. Ze lijken op een verkleinde uitgave van de hoogleraar, maar Alexander Pieps loopt vluchtend weg. De professor stelt vast dat ze nadoen, imiteren. “Gans komisch.” Ze zijn dus gevoelig voor inblazingen. Gezamenlijk met zijn hervonden assistent neemt hij afscheid van de commissaris bij de uitgang van het schuurtje. Die laatste belooft de keet weer te verzegelen.

Heer Ollie doorbreekt uit onvrede over de misstanden in zijn achtertuin gewapend met een jachtgeweer de verzegeling en gaat ook achter zijn schuurtje kijken. Vanwege de hitte valt hij in slaap en droomt dat de professor hem na gevangenneming met een vlindernetje in een jampot opsluit. Ontwakend is hij omsingeld door een tiental baardfiguurtjes, die hem aan een nader onderzoek willen onderwerpen. Heer Bommel schiet vervolgens met hagel op de baardmannen waardoor ze zeer kwaadaardig worden. De andere ochtend wordt bediende Joost door Bulle Bas aangesproken op de opengebroken schuur. Hem wordt medegedeeld dat de eigenaar met geweer in de hand orde op zaken is gaan stellen. Bulle Bas zijn angsten worden bewaarheid als hij bij het schuurtje aankomt en ziet dat Heer Bommel met moeite de deur gesloten kan houden. Hij moet al zijn daden opbiechten aan de meeschrijvende commissaris. Ook Tom Poes keurt desgevraagd het schieten met hagel af.

Vervolgens verschijnen doctorandus Zielknijper en ziekenbroeder Carolus Kwak op het toneel. Ook hij wijst de kasteelheer op zijn plaats. “Stuitend; geweld roept geweld op.” Hierop verdwijnt hij in het gebouwtje waaruit hij met driedubbele snelheid weer wordt teruggeworpen. Hij is het eerste slachtoffer van de kwade inblazingen en belandt hard tegen een boom. Vervolgens vliegen alle tuingereedschappen het schuurtje uit. Ook zwermen drommen baardmannetjes naar buiten, waarbij ze de overtollige beharing als vleugels gebruiken. De commissaris wordt in Rommeldam overvallen op het Koolplein [3] door de stormvlaag van vreemde vogels. Ze richten veel vernielingen aan in de stad aan schoorstenen en ramen. Ook de ambtskamer van burgemeester Dickerdack is zwaar getroffen. Maar die heeft in tegenstelling tot de commissaris wel de rapporten van de professor gelezen. Bulle Bas krijgt vervolgens opdracht met harde hand een eind aan de misstanden te maken. Een grote optocht van politievoertuigen zet koers naar het omstreden schuurtje. Omdat de ingang te klein is voor de politievoertuigen gaat een grote politiemacht lopend de orde herstellen. Bulle Bas begrijpt dat hij moest laveren tussen tactvol optreden en niet over zich heen moet laten lopen.

Tom Poes legt zijn vriend uit dat de gedrochten, die zo hebben huisgehouden in de stad en omgeving, zo zijn geworden omdat iemand met een geweer op hen heeft geschoten. Heer Bommel herinnert zich een gezegd van zijn vader: “Wie kwaad doet, kwaad ontmoet”. Hij begrijpt dat dus ook van het politieoptreden in zijn achtertuin dan ook niets goeds is te verwachten. De politie wordt dan ook met zware verliezen teruggeslagen. Gehavende uniformen en ontbrekende wapens. De commissaris probeert tevergeefs in zijn ondergoed de deur gesloten te houden maar hij is te laat. De baardmannen zijn nu ook bewapend met geweren die eerst tegen hen waren gebruikt. De kasteelheer en de commissaris botsen in paniek op elkaar op en storten ter aarde. Tom Poes legt uit dat de politie tot niets dient evenals boosheid of geweld. Hierop loopt de commissaris mopperend naar de stad.

Tom Poes zoekt ten einde raad hulp bij de wetenschap. Professor Prlwytzkofsky geeft een theoretische verhandeling over het bestaan van verschillende werelden in hetzelfde ruimte-tijd-verband. Twee maal twee is niet altijd vier omdat er rekening moet worden gehouden met slijtage bij vermenigvuldigen. Tom Poes verlaat mopperend het gastcollege. Hij loopt toevallig tegen een andere professor op, professor Sickbock. Die is niet geïnteresseerd in de oorsprong van het protoplasma-meer maar in de toepassingen. Hij overweegt het geven van adrenaline-impulsen. Tom Poes leidt hem naar het schuurtje waar de gevoelige cellen wachten op het meesterbrein van de professor. Die begint zijn onderzoekingen echter ook net als zijn vakbroeder met observaties. Hij kijkt vanuit een opblaasbaar plastic koepeltje nauwlettend toe. Als hij genoeg weet zet hij zijn adrenaline straler aan. Die werkt op protoplast in als adrenaline op de eigenlijke cel.

Heer Bommel is erin geslaagd een vliegend baardmannetje te onderscheppen en neemt het wezentje mee naar het kasteel. Aldaar wordt het opgesloten in een vogelkooi.[4] Heer Bommel neemt tegenover de kooi plaats en begint een avondlang voor te lezen uit het liefdevolle werk van de goeroe Mahaswami. Om middernacht neemt Joost zijn taak over met vriendelijke verhalen uit de natuur. De andere ochtend is er slechts wat protoplasma-smurrie over in de kooi.

Professor Sickbock meldt zich bij de burgemeester. Zijn eveneens aanwezige collega Prlwytzkofsky verwijt hem dat hij het heeft aangedurfd het protoplasma aan kwade inblazingen bloot te stellen. Eerstgenoemde hoogleraar vindt dit nog maar een kleine proef. De burgemeester wil geen nieuwe proefneming met net nieuw geplaatst glas in zijn venster en een schoongemaakte kamer. Professor Sickbock belooft de magistraat een bron van onuitputtelijke energie en een verwoestende kracht. De wereld zal ervoor beven. En zelf vraagt hij slechts een kleine vergoeding voor zijn moeite. Zijn collega eist stoppen van de proef. “Daar kan ja ener ramp van komen!”

Professor Prlwytzkofsky en Alexander Pieps spoeden zich hierna met de driewieler naar het kasteel. Tom Poes kan ternauwernood hangend aan de laadklep meeliften. De professor commandeert zijn assistent mee naar binnen bij het schuurtje. Tom Poes gaat echter in zijn plaats mee naar binnen met de hoogleraar. Ze zoeken daar een manier om de vinding van Sickbock uit te schakelen. Buiten onderhoudt Alexander Pieps Heer Bommel over het grote gevaar binnen. Iemand is bezig kwade inblazingen aan het protoplasma te geven. Heer Bommel spreekt over mooie gedachten en liefde. “Zoek bloemen, meneer Pieps.” [5] Tom Poes en de professor zoeken eendrachtig langs de stormachtige protoplasma-zee tevergeefs naar een straler van professor Sickbock. De professor ontvlucht met zijn assistent in zijn driewieler het gebouwtje.

Om Rommeldam tegen de door Sickbock opgewekte plasma-aanval te beschermen gelast burgemeester Dickerdack Bulle Bas 'iets' te doen. Het geeft niet wat, want hij duldt geen kwade inblzaingen in zijn gemeente. Hierop geeft Bulle Bas zijn brigadier Snuf de opdracht het kasteel en de hele omgeving van Bommelstein op te blazen. Het kasteel en de omgeving moeten dus worden ontruimd, zo wordt bediende Joost telefonisch meegedeeld. De trouwe bediende waarschuwt zijn werkgever voor het dubbele gevaar. Kwade inblazingen van achter het schuurtje en buskruit van de politie. Heer Bommel vraagt wanhopig Tom Poes een list te verzinnen.

Tom Poes spoort nu tijdig de achtergelaten oloroon op. Hij herinnert zich dat het bij de achterdeur altijd rustig is en vindt zo het apparaat van Kwetal. Door wat aan het apparaat te veranderen wordt het windstil. Bulle Bas is nog bezig Bommel op te blazen als Tom Poes met de oloroon aan komt lopen. Nader onderzoek in het schuurtje leert dat het landschap weer gewoon is geworden. Kwetal komt terug om zijn oloroon op te halen. Hij maakt ruzie met Tom Poes, die boos is dat hij het apparaat ingeschakeld heeft laten rondslingeren. Heer Bommel vertelt intussen aan Bulle Bas dat hij de kwade inblazingen heeft laten verdwijnen.

Intussen zendt de burgemeester de geld eisende Sickbock weg als oplichter. Tom Poes legt Heer Bommel uit dat de hele toestand de schuld was van een apparaat van Kwetal. Zijn vriend ziet het anders. “Dit was een strijd tussen goed en kwaad jonge vriend.” Joost is in staat met hulp van het diepvrieswezen een smakelijke maaltijd te bereiden voor de twee vrienden, Bulle Bas en de professor met zijn assistent Alexander Pieps. De professor is benieuwd naar het gebied dat bestond maar er niet meer is. De commissaris stelt dat het ontvreemd is. Alexander vindt dat gelukkig, de wind werd steeds harder. De professor wil een ‘bestudeerde verklaring’ van de gang van zaken. Heer Bommel vat het nog eens samen:

“Het waren mooie zuivere gedachten van een heer, die alle akeligheid verdreven hebben. Wie goed ontmoet, doet goed” Dat zei zijn goede vader altijd en daar houdt hij zich aan. Tom Poes zei slechts tot slot: “Hm”

Voetnoot

  1. Voor het bemesten van de boontjes.
  2. Heer Bommel: “Wat heeft het rare uitzicht uit mijn achterdeur te maken met het glaasje port, dat ik gedronken heb?”
  3. Rommeldam-Zuid
  4. Achtergelaten door Tom Poes in het verhaal: De grauwe razer
  5. Plaatje 6221 toont Heer Bommel met een bloemenkrans op zijn hoofd.flowerpower . Zie ook het volgende verhaal: De hupbloemerij.
Voorganger:
De heldendaden
Bommelsaga
7 november 1967 - 23 januari 1968
Opvolger:
De hupbloemerij