De kwanten

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en de kwanten[1] (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De kwanten) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 7 mei 1958 en liep tot 8 juli 1958. Thema: Alleen of samen met vakantie?

Het verhaal

Heer Ollie en Tom Poes wandelen op een mooie lenteavond in de maneschijn. Ze kibbelen samen over hun nieuwe vakantiebestemming. Tom Poes wil avonturen gaan beleven. Heer Bommel wil slechts ver van de massa en het rumoer gaan verpozen. Tom Poes wil graag op reis naar een onbekende streek. Heer Bommel wenst onder de perelaar gezeten naar leeuweriken en nachtegalen te luisteren. Maar Tom Poes wil het liefst snel weg van Bommelstein, voordat er daar weer narigheid gebeurt.

Die nacht droomt de kasteelheer dat hij een vakantie vindt bij een mijlpaal in de tuin van slot Bommelstein. Hij graaft daarom de volgende morgen een diep gat en wanneer Tom Poes langskomt stopt hij na advies van zijn vriend op het dieptepunt. Bediende Joost vindt dromen slechts bedrog en hij mag vervolgens de kuil weer dicht gaan gooien. Hoewel het graven in eerste instantie niets opleverde, verschijnt er wat later onder de ogen van de bediende een zwijgend wit figuurtje. Kort daarna duikt een mysterieuze bushalte op. Richting Goesting, vertrek om middernacht bij gunstige sterrenstand. Om middernacht verschijnt er inderdaad een door een wit figuurtje bestuurde oude bus richting het onbekende Goesting. Tom Poes had deze keer geen gelijk en het was dus geen grap. Heer Bommel gaat nu richting Goesting met de woorden: “Ik ga naar Goesting jonge vriend, omdat ik daar zin in heb!”

Heer Ollie voldoet aan de criteria voor de rit en gaat mee. Hij is niet in het bezit van verzekeringen en andere zekerheden. Tom Poes wordt geweigerd omdat hij alleen maar op zijn reisgezel wil passen. Men moet niet gehinderd worden door de goesting van anderen want dat geeft nu eenmaal trammelant en tierelier. Tom Poes gaat als achterblijver uitzoeken waar die bushalte vandaan komt en wat Goesting dan wel is. Ambtenaar eerste klasse Dorknoper ziet een ambtelijke misstand in het getoonde haltebord en gaat samen met hem op onderzoek uit.

Goesting blijkt een plaats te zijn waar alles gebeurt zoals je dat wenst en heer Ollie heeft er dan ook een prettige tijd. Want meestal heeft Tom Poes gelijk op hun reizen, en dat blijft de alleen reizende heer dit keer dus bespaard. De oude bus gaat probleemloos op verzoek van de kasteelheer recht omhoog een berg op en rijdt onder water gewoon door. Dat is mogelijk omdat heer Bommel meent dat zulks wel gaat. En de plaats waar ze arriveren is Goesting, omdat de kasteelheer denkt dat hij er nu wel is. De buschauffeur laat ook nog eens een gids achter, om zijn vakantiewensen te vervullen. Heer Bommel zakt onderuit in een luie leunstoel, terwijl een wit ventje fruit van de fruitbomen voor hem plukt.

Tom Poes en Dorknoper weten er op eigen gelegenheid te komen. Tom Poes reist als verstekeling in de bus, de ambtenaar gaat zwemmend over het meer. Dit tegen de zin van de kwanten, die nu trammelant en tierelier verwachten. Tom Poes is wat verbaasd zijn vriend in een luie leunstoel aan te treffen. Hij waarschuwt direct voor vergiftigde bananen en een niet bestaande eenhoorn. Daarmee zijn de bananen vergiftigd en wordt de eenhoorn een gevaarlijke neushoorn. Heer Bommel en Tom Poes geraken uitgeput in een zachte zandvlakte. Maar de kasteelheer weet zich in de narigheid gebracht door de komst van zijn jonge vriend. De gewenste gids, On, duikt weer desgevraagd op. Die stelt dat Tom Poes niet in het Goesting van heer Bommel thuis hoort. Maar hij kan er niets aan doen en dat vindt Tom Poes nu wel weer prettig.

Aanvankelijk kan de gids nog wel aan de wensen van de twee Rommeldammers voldoen, maar wanneer die verlangens vaak toch tegengesteld blijken te zijn ontstaat er voortdurend onweer als teken van kortsluiting. Trammelant en tierelier. Hierop besluit Tom Poes het wensen maar aan heer Ollie over te laten. Maar dat is slechts van korte duur, want hij vraagt en krijgt desgewenst uitleg van drie zwarte figuurtjes over Goesting. De quantentheorie van Planck brengt echter weinig licht in heer Bommel zijn duisternis. Laatstgenoemde wil overigens geen redelijke uitleg maar slechts een prettige vakantie. Zijn verblijf wordt nu voortgezet in een prettige kermis, die overgaat in een carnaval.

Ambtenaar Dorknoper vindt in de hoofdstad Goesting desgevraagd alle vergunningen in orde. Door een wens van de ambtenaar en de kasteelheer worden de drie Rommeldammers verenigd in Goesting. De ontwikkelingen geraken daarna in een stroomversnelling. Heer Bommel stelt dat in Goesting de wil van een heer nog wet is maar volgens Dorknoper kan dat helemaal niet. De wensen zijn achtereenvolgens, belastingkantoor, bevolking, goede sociale voorzieningen, ouderdomspensioen, ploffietsen om van de natuur te genieten, waarna de drie weer onder elkaar zijn. Heer Bommel wil na dit ambtelijk ingrijpen in zijn eentje van de natuur genieten en zit vervolgens tevreden aan de oever van het meer. Tom Poes en Dorknoper houden elkaar een tijdlang bezig. Maar uiteindelijk belanden ze desgewenst bij de tevreden kasteelheer aan het meer. Door ruzie over ontbrekende vergunningen loopt het weer uit de hand.[2] Heer Bommel wenst dat Dorknoper opvliegt met zijn papieren waarna Tom Poes de stekker uit het project haalt met zijn wens: "Ik wou dat Goesting niet bestond."

Inmiddels ontdekt commissaris Bulle Bas de halte van de wilde busdienst. Joost attendeert de commissaris met zijn wijsvinger op het haltebord, waarbij hij bijna geëlektrocuteerd wordt. Rommeldam zit zonder stroom. Twee gemeentewerklieden van de storingsdienst gaan op de plaats delict graven en constateren dat het haltepaaltje door de hoofdkabel van de elektriciteit heen is geslagen. Levensgevaarlijk. De gemeentearbeiders nemen afscheid van Joost en werpen het bushaltebord in de berm. De drie verdwenen Rommeldammers belanden vervolgens met een windvlaag boven op het weggeworpen haltebord.

Dorknoper neemt afscheid,beleefd de hoed lichtend, onder de woorden: "Men moet als ambtenaar met de vreemdste winden meewaaien." Joost dient voor de twee vrienden een eenvoudig doch voedzaam ontbijt op. Heer Bommel is nog steeds blij dat hij weet waar de halte naar Goesting is, maar Tom Poes stelt beslist dat die halte weg is. Goesting bestaat niet meer. Na een bord warme pap geeft Heer Ollie als zijn visie dat hij er is geweest, er mooie herinneringen aan heeft en dat daarom Goesting voor hem nog wel bestaat, als zijn vriend begrijpt wat hij bedoelt.

Bij het ophalen van zijn dienstauto komt Dorknoper journalist Argus tegen aan de rand van een nieuw ontstaan meer. De zandwoestijn is door het noodweer overstroomd. Dorknoper redt zijn papieren uit de auto[3] en praat van een poel van ongerechtigheid. Argus weet al schrijvend niet meer of die overstroming, zonder persoonlijke ongelukken, nu wel of geen ramp was.

Voetnoot

  1. In de kwantumtheorie (althans in de breed aangehangen Kopenhaagse interpretatie van Niels Bohr en Werner Heisenberg) variëren natuurkundige grootheden stapsgewijs (met één kwantum tegelijk) en is er geen onafhankelijke werkelijkheid.
  2. "Bah, altijd wordt mijn plezier vergald. Een heer kan zelfs niet vreedzaam aan de oever van zijn meer zitten!"
  3. Niet de automobiel

Hoorspel

Voorganger:
De argwaners
Bommelsaga
7 mei 1958 - 8 juli 1958
Opvolger:
De beunhaas