De muzenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en de muzenis (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De muzenis) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 12 december 1955 en liep tot 25 februari 1956. Thema: Geld blijkt des dichters waarde.

Het verhaal

Heer Ollie heeft een stukje verwilderd bos bij zijn kasteel Bommelstein aangekocht. Er staat een oude vermolmde hut, waarin de dichter Wladimir Waaizak 50 jaar eerder gewerkt en geleefd heeft. De Markies de Canteclaer en kunstschilder Terpen Tijn willen, om deze dichter te eren en de muze te dienen, dit cultuurmonument behouden. Maar de nieuwe eigenaar ziet daar niets in. Hij wil op de plaats van de vervallen hut een theehuisje neerzetten. Tom Poes probeert zijn vriend na de onvriendelijke woordenwisseling met de twee artiesten ter plekke wat op te beuren. De markies is nu eenmaal een onaangenaam iemand en Terpen Tijn is een lomperik. Maar ’s avonds leest heer Bommel bij de open haard een stukje voor aan zijn jonge vriend van journalist Argus. Het cultuurmonument van Wladimir Waaizak zal ten offer vallen aan zijn huidige eigenaar, een zekere O.B.B. Tom Poes adviseert nu om de oude hut dan maar te laten staan en elders een theehuisje te bouwen.

Bediende Joost brengt heer Bommel op toch weer andere gedachten.[1] Hij vindt het voor een heer wel gekleed om iets aan kunst te doen. De kasteelheer zet vervolgens een advertentie in de Rommeldamse Koerier[2] en tot ieders en vooral Tom Poes zijn verbijstering verschijnt op het afgesproken tijdstip de muze Polyhymnia op kasteel Bommelstein.[3] Klassiek gekleed en in haar hand een lier. Ze is erg getroffen door de laatste regel in de advertentie waarin geld geen rol speelt. Want geld speelt tegenwoordig maar al te vaak een rol in de kunst. Ook de kunst zelf is ontaard nu een blauwdruk voor een waterleiding onlangs is bekroond als een kunstwerk. Heer Bommel vindt Polly wel een mooie toegesneden naam maar ze verdwijnt in het niets als de kasteelheer naar haar salariseisen informeert, omdat geld bij hem geen rol speelt. Volgens Tom Poes betekent de verdwijning dat ze toch een echte muze was en geen oplichtster. Even later vinden de twee vrienden de muze terug in een boom buiten bij het kasteel.

Polly, zoals heer Ollie haar noemt, zal met de kasteelheer een contract gaan sluiten. Tom Poes waarschuwt hem nog maar hij volgt haar naar Waaizaks hut. Ook de markies ziet tot zijn ontzetting dat deze artistieke dame het inderdaad met zijn buurman aanlegt. Binnen in de hut legt de muze uit dat het nodig is om een overeenkomst te maken, want er is tegenwoordig zoveel misbruik. Men gebruikt zelfs kunst in de reclame. Dat kan niet worden toegestaan. De muzenraad is heel streng in dit soort dingen! Het afmaken van het verloren gewaande maar onvoltooide gedicht Des dichters waarde van Waaizak is de contractuele opdracht voor heer Bommel. Het is een gedicht van vijf versregels, met aan het eind van elke regel een schijnbaar ontbrekend laatste woord. Volgens de muze zei Wladimir altijd dat zijn waarde in het onvoltooide gedicht lag. Heer Bommel tekent nu opgewekt het contract, hij wil wel wat gaan dichten. Tom Poes legt de spionerende markies koeltjes uit dat de dame Polly is, de muze van heer Bommel. Ze kwam af op de advertentie. De aristocraat slaat zich in volle verbijstering tegen het voorhoofd.

Heer Ollie getuigt niet erg van enige inspiratie. Zijn muze dwingt hem om niet te verzaken en het gedicht zo snel mogelijk te voltooien want wee de dichter die het contract verbreekt. De muze zit de kasteelheer vervolgens constant achterna. Het enige dat de kasteelheer vooralsnog bereikt is dat hij weer eens van zijn dikke portefeuille wordt beroofd door Super en Hieper en vervolgens als landloper opgepakt wordt door politiecommissaris Bulle Bas en voor één nacht in een cel gezet. Heer Bommel bedenkt dat hij beter naar zijn goede vader had moeten luisteren. Die zei altijd: “Ollie jongen neem geen werk op je, dat je niet aankunt. Dat geeft muizenissen!” “Hm”, overweegt heer Bommel, “Muizenis... Muzenis!”[4]

De volgende ochtend ontmoet de kasteelheer in een cafeetje Hein Kwakkels, reclameschrijver, die hem op een kop koffie trakteert, en desgevraagd bereid is het hinkelrijmpje te voltooien. Want heer Bommel zit zonder portefeuille en dus in de problemen. Kruidenier Grootgrut weigert hem bij het verlaten van het café zelfs botweg een lift naar huis. Tegen het middaguur bereikt hij uitgeput zijn kasteel, waar bediende Joost zich grote zorgen maakt over zijn werkgever en zijn eigen salaris. Heer Bommel bespreekt zijn eigen zorgen met Tom Poes, die hem moed inspreekt. Maar tegen de avond komen achtereenvolgens de muze en Hein Kwakkels binnenlopen. Nadat Polyhymnia eerst heer Bommel streng had toegesproken, spreekt ze nu openlijk haar walging uit over de reclameschrijver. Maar met een snedig reclametekstje weet Hein de muze weg te werken. Vervolgens dwingt hij heer Bommel hem een voorschot te geven om het gedicht af te maken.[5] Terwijl Tom Poes Hein Kwakkels stiekem volgt, pakt heer Bommel een goed boek en gaat opgewekt met pijp in de mond wat lezen.

Polyhymnia treft dientengevolge de kasteelheer met een spannend boek bij de haard aan en haar kleding verschiet voor de rest van het verhaal van wit naar zwart. Het boek gaat in de open haard en de ramen gaan open, want er zal gedicht moeten worden. Polyhymnia sleurt haar contractpartner aan zijn oor naar zijn werktafel en laat een frisse wind waaien. Als het gedicht zoek is dat moet de opdracht maar zonder het onafgemaakte origineel worden opgelost. Heer Bommel weet dat er nu misbruik van zijn heer zijn wordt gemaakt. Zijn goede vader heeft hem geleerd ridderlijk te zijn tegenover dames, maar zijn grens kom nu in zicht. En dichten gaat niet want hij heeft het gedicht immers even niet. Maar het glas warme anijsmelk dat bediende Joost om 22 uur binnenbrengt wordt door de muze verboden. Heer Bommel stelt dat zulks te ver gaat, maar Polyhymnia stelt dat zij nu de baas in huis is, totdat het gedicht af is.

Tom Poes wil zijn vriend natuurlijk helpen en vraagt het gedicht terug van de reclameschrijver Hein Kwakkels. Laatstgenoemde is het gedicht echter tijdelijk even kwijt. Op hun zoektocht trekken ze de aandacht van Bulle Bas, journalist Argus en heer Bommel zelf. Hein Kwakkels heeft inmiddels het gedicht weer in zijn eigen broekzak teruggevonden en zet zich met Tom Poes aan het dichten. Maar onder tijdsdruk dichten valt ook deze reclameschrijver niet mee. Hij weet niet wat voor stijl het gedicht heeft. Experimenteel? hinkelrijmpje? de vrijheid is te groot en hij geeft het woedend op. Tom Poes pakt het origineel en loopt ermee weg. Vervolgens redt hij zijn vriend, die weer wordt belaagd door commissaris Bulle Bas en stelt voor samen het gedicht te gaan afmaken. Maar daar steekt de muze weer een stokje voor. Heer Bommel belandt uiteindelijk in de varkensmest van een boze boer. Zijn buurman, de markies, en de muze treffen hem daar aan en gaan samen naar het kasteel van de edelman. Laatstgenoemde probeert het contract over te nemen, maar de muze kan haar contract niet verbreken. Niet de markies maar heer Bommel zal Waaizaks gedicht moeten voltooien. Heer Bommel neemt gebroken zijn toevlucht in Waaizaks oude hut.

Het enige dat Tom Poes nog kan bedenken is het gedicht zelf af te maken. Hoewel hij het gedicht aan heer Bommel had teruggegeven, weet hij zich de onvoltooide tekst te herinneren en op te schrijven. Daardoor ontdekt hij de rijmstructuur van het onvoltooide gedicht.[6] Na bij de muze bot te hebben gevangen, vindt de markies een willig oor bij de burgemeester. De markies zal het gedicht van Waaizak afmaken, omdat Bommel onwaardig is. Hij heeft reeds bekeuringen gekregen wegens landloperij en de varkensstal doet voor burgemeester Dickerdack de deur dicht.

Op slot Bommelstein krijgt Tom Poes van bediende Joost te horen dat heer Bommel al enige dagen niet thuis is geweest. “Hij loopt land, heel betreurenswaardig.” Heer Bommel zit inderdaad in de oude hut, begeleid door de lier van Polyhymnia, vruchteloos te dichten. Hij kijkt verrast naar het venster, waar Tom Poes zich kort laat zien. Even later kan heer Bommel ijverig het kunstwerk afmaken, door naar het papier tegen het venster te kijken. Zelf vindt hij het resultaat mooi, maar de muze vindt het slechts bijzonder, omdat het onvoltooide gedicht nu toch nog af is. Heer Bommel is zo eindelijk van het contract verlost.

Na een vruchteloos gesprek met de muze wist de markies intussen van de burgemeester een onteigeningsbevel van Waaizaks gedicht te krijgen waarmee hij met Bulle Bas naar kasteel Bommelstein optrekt. Vervolgens afmarcherend naar de hut van de dichter, worden ze door Heer Bommel onthaald op zijn openbare presentatie van het onvoltooide gedicht. Iedereen, inclusief de markies en de muze, vindt de kwaliteit een schande, maar de opdracht is af. Heer Bommel leest in verbijstering de kranten voor aan Tom Poes. De Rommelbode: "Een prul", Rommeldamse Koerier: "Goedkoop rijmelwerk". Heer Bommel: "Waarom heb je niet iets beters gemaakt, jonge vriend? Moet ik dan alles zelf doen?”

Tom Poes wijst hem er nu op dat de rare tekst van Wladimir Waaizak wel degelijk iets moet betekenen. Met de letterlijke tekst van het gedicht als richtsnoer[7] graven ze voor de deur van de dichtershut 'des dichters waarde' op, een schatkistje met goudstukken waarin de prijs zit die Waaizak ooit gewonnen had met het verzinnen van een reclametekst.[8] Polyhymnia komt diepbedroefd poolshoogte nemen en ziet haar contractant en Tom Poes staan glunderen boven een schatkist. Ze is diep ontdaan door de ontmaskering van Wladimir Waaizak. Ze wil de boodschapper van deze waarheid nooit meer zien. Heer Bommel maakt goud van de waarde van een dichter.

Na haar verdwijning loopt de kasteelheer met zijn jonge vriend terug naar Bommelstein met de woorden "vrouwen zijn moeilijk". De volgende dag geeft hij een groots slotdiner. Bij deze gelegenheid met de burgemeester, de commissaris, de markies, Argus, Tom Poes en Hein Kwakkels vertelt Heer Bommel hoe Wladimir Waaizak aan zijn geld kwam. Reclameteksten bleken des dichters waarde. De burgemeester zit met twijfels of Bommel het geld kan houden. Maar heer Bommel lost het elegant op: "Ik stel voor om het geld aan de gemeente te geven voor een fonds voor noodlijdende kunstenaars."

Externe link

Noten

  1. De bediende noemt abusievelijk de Muzen dochters van Zeus.
  2. Kunstzinnige heer zoekt beschaafde muze, v.g.g.v.; aanmelden na acht uur op slot Bommelstein. Geld speelt geen rol.
  3. In het hoorspel vertolkt door Brigitte Kaandorp met ukelele!
  4. Dit is de enige vonk van dichterlijke inspiratie bij de kasteelheer.
  5. Stripstrook 2721 toont een zeer boze Tom Poes die de transactie gadeslaat.
  6. Hij vult in “dak”, “grond”, “kop”, “smart”, “ligt heel des dichters waarde”.
  7. “In die top in de gaarde ligt heel des dichters waarde”, dus daar samen graven!
  8. “Nix wast schoner.”
Voorganger:
De klonters
Bommelsaga
12 december 1955 - 25 februari 1956
Opvolger:
De Atlantiër