De wezelkennis

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en de wezelkennis (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De wezelkennis) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 31 juli 1961 en liep tot 17 oktober van dat jaar. Thema: Misbruik van vertrouwen.

Het verhaal

Terugkerend van het boodschappen doen in de stad Rommeldam komt Tom Poes langs de herberg De Vreedzame Jager. Hij hoort luide stemmen en ziet een tengere vreemdeling door de waard naar buiten worden getrapt. Hij wordt ervan beschuldigd de dure meneer uit te hangen en vervolgens niet te betalen. Beleefd de hoed lichtend stelt hij zich voor aan Tom Poes als Edelhart van Wezel. Hij biedt zijn verontschuldigingen aan voor het in ongerede geraken van de boodschappenmand. Thuisgekomen merkt Tom Poes dat hij een kruidenworst mist. Hij geeft ogenblikkelijk de praatjesmaker van onderweg de schuld.

Terwijl Edelhart van zijn kruidenworst smult, wordt hij aangesproken door commissaris Bulle Bas op verdenking van landloperij op de landgoederen van slot Bommelstein. Ook de achterstallige betaling aan het logement De Vreedzame Jager komt ter sprake. Maar de onverstoorbare wezel zegt een gast van de kasteelheer te zijn. Binnen in het kasteel beroept hij zich op douairière tante Arsenia, die hem van de vergeten zijtak op slot Bommelstein had verteld. Kasteelheer Bommel zegt tegen de politiecommissaris dat de zaak in orde is. Edelhart blijft en Bas gaat. Laatstgenoemde trekt zijn handen van de zaak af.

Met mooipraterij middels familieportretten weet Edelhart zich als neef van heer Ollie te presenteren. De kasteelheer is maar wat blij met zijn verwantschap aan een echte graaf. Heer Bommel wil desgevraagd geen testament opmaken omdat hij daar slechte herinneringen aan heeft.[1] Neef Edelhart vertrekt nu onder de belofte de stamboom van hen beiden nader uit te laten zoeken door zijn secretaris. Laatstgenoemde blijkt een beruchte advocaat van kwade zaken te zijn: Zedekia Zwederkoorn. ’s Nachts na twaalven tegen dubbel tarief worden in zijn bouwvallig kantoor in de stad Rommeldam zaken gedaan.

De volgende morgen kan heer Bommel tijdens zijn ochtendwandeling het niet nalaten om zijn buurman op de hoogte te brengen. De markies de Canteclaer is duidelijk aangedaan over de familie ontwikkelingen rond de Graaf Van Wezel. Hij wordt bovendien op ontluisterende wijze beentje gelicht door de opduikende Edelhart. Terug op Bommelstein biedt de postbode een gezegelde brief aan voor Edelhart, graaf van Wezel. De inhoud jaagt hem grote schrik aan. Niet Edelhart, maar heer Bommel is van de recht tak. Alle bezittingen en aanpalende landerijen van het grafelijk slot behoren aan hem. Heer Bommel zet vergenoegd zijn handtekening onder de documenten, die tevens bij kinderloos overlijden alsnog Edelhart als erfgenaam aanwijzen. Maar omdat nu ook de bankrekening van Edelhart aan heer Bommel is toegevallen, heeft de eerste een probleem. Hij leent met enige moeite 20.000 florijnen contant. Tom Poes komt toevallig binnen en keurt deze actie af. Hij denkt dat de bedrieger niet meer terugkomt. Maar niet veel later komt Edelhart terug in een flitsende sportauto. Samen met heer Bommel gaan ze de grafelijke bezittingen bekijken. Tom Poes ruikt onraad. Ondanks bedenkingen van bediende Joost zet hij met de weer volledig opgeknapte Oude Schicht de achtervolging in.

Edelhart heeft inderdaad boze plannen en tracht heer Ollie tot roekeloosheid aan te zetten, maar iedere liquidatie poging mislukt. Steeds andere listen brengen het tweetal ten slotte naar een gebied rond een vergeten fort aan de grens, waar vol verwachting op aflossing wordt gewacht. Edelhart stelt dit grensfort Gruwelsteen voor als het stamslot van het geslacht Van Wezel. In deze vesting voert overste Gorm van Mallenkletter[2] het bevel, daarin bijgestaan door adjudant Kaanknipper. Edelhart stelt bij de leiding van het fort heer Ollie eerst als spion voor en zo wordt hij beschoten. Maar heer Bommel ziet de schoten als saluutschoten wanneer hij goedgemutst aan komt lopen. En omdat hij stug doorloopt wordt hij als aflossing van de bevelvoerder gezien. Zeker met de documenten die hij bij zich heeft als Graaf van Wezel.

Dan betreedt advocaat Zwederkoorn het toneel weer, want die wil weleens weten of Edelhart resultaat heeft behaald en nu wel de rekening kan voldoen. Tom Poes luistert een gesprek af tussen Edelhart en zijn advocaat. Hij weet de advocaat te overtuigen andere papieren te maken die de situatie ten nadele van heer Ollie wijzigen. Heer Bommel blijkt toch van een zijtak te zijn en Edelhart blijft de enige echte Graaf van Wezel, die daarmee nu ook commandant is geworden van het grensfort Gruwelsteen.[3]

Edelhart blijft achter als commandant van een vesting zonder sportauto, zonder erfenis. Zijn wezelkennis heeft gefaald door een gebrek aan zelfkennis. Heer Bommel rijdt in omgekeerde richting met de sportauto naar huis met de overste als passagier. Tom Poes volgt in de Oude Schicht. Joost serveert een slotmaaltijd voor het drietal. De bediende komt vervolgens tijdens de maaltijd binnen met een rekening wegens het onderzoeken van de familieverhoudingen met de Graaf van Wezel. Advocaat Zwederkoorn wacht buiten op de stoep. Heer Ollie vindt dit het toppunt. De raadsman heeft slechts vastgesteld dat hij niet tot die familie behoorde! Hij betaalt zo voor iets dat hij niet is. Maar Tom Poes vindt dat iets toch een ontdekking die tot blijdschap zou moeten stemmen. De overste doet een duit in het zakje door het dienstrooster van fort Gruwelsteen ter sprake te brengen, waar Edelhart nu aan onderworpen is. De rekening van advocaat Zwederkoorn wordt zodoende aan de deur voldaan middels overdracht van de sportauto. En meester Zwederkoorn rijdt hierin redelijk tevreden het verhaal uit.

Voetnoot

  1. Zie het eerdere verhaal: De partenspeler
  2. Bekend van de belegering van kasteel Bommelstein in het verhaal De achtgever.
  3. Circa 90 km ten zuidoosten van de stad Rommeldam.
Voorganger:
Het ontstoffen
Bommelsaga
31 juli 1961 - 17 oktober 1961
Opvolger:
Het boze oog