De zwelbast

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en de zwelbast (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot De zwelbast) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 8 oktober 1957 en liep tot 14 december van dat jaar. Thema van het verhaal is vriendschap.

Het verhaal

In de beslotenheid van de Kleine Club legt heer Bommel uit aan Burgemeester Dickerdack en de markies de Canteclaer dat zijn vriend Tom Poes hem heel dikwijls hindert in zijn ontplooiing. Wegens deze zelfingenomen houding dagen ze hem uit om eens echt iets te gaan presteren en in de Zwarte Bergen een zwelbast,[1] een lid van een gevaarlijk roversvolk, te gaan vangen. Bij succes wordt heer Bommel erelid, bij mislukking volgt royement. Maar hij is gewaarschuwd omdat zelfs het leger door de zwelbasten is weggeblazen. Hij vertelt buiten de sociëteit het hele verhaal aan Tom Poes, die voorstelt er samen op af te gaan. Maar heer Bommel wil dit avontuur dit keer alleen doen.

Op kasteel Bommelstein bespreekt heer Bommel zijn problemen met bediende Joost. Hij moet een zwelbast vangen, familie van de blaasdraken, die groeien als ze kwaad zijn. De kasteelheer vindt in een van zijn boeken een toepasselijk lied om ermee alleen in zijn zoektocht op uit te trekken.[2] Het blijkt ondanks de bedenkingen van zijn bediende een verrassend eenvoudige opgave te zijn, omdat het kleine zwelbastje Zwelgje dicht bij slot Bommelstein is verdwaald. Het verdwaalde draakje legt uit dat hij gekrompen is omdat hij er de smoor in heeft. Tom Poes ziet het fout lopen, maar kan weinig doen, want zijn beste vriend negeert hem als 'rover van stand' volkomen. Bovendien klaagt Bommel tegen Zwelgje dat zijn oude vriend hem remt in zijn ontplooiing waarop zijn nieuwe strijdmakker het witte ventje wegblaast. De draak ziet slechts een armoedzaaier en een stoofjesklant.[3]

Tom Poes waarschuwt commissaris Bulle Bas bij de stadspoort van Rommeldam. Maar de politiechef wordt bij zijn poging tot aanhouding door de gesignaleerd staande Zwelgje als "uitslover met een petje" eveneens weggeblazen. Op de Kleine Club vermaken de burgemeester en de markies zich om de opdracht aan pocher Bommel, maar het lachen vergaat hen bij de wederkomst van het clublid met de gegroeide zwelbast in zijn kielzog. Commissaris Bulle Bas komt tevergeefs melden dat deze Zwelg de Zwelbast in zijn opsporingsboekje staat. Maar het duo verdwijnt door een opgeblazen muur, waarbij Zwelg terloops nog wat antiek en sieraden meeneemt. De burgemeester zit er vreselijk mee dat Bommel nu erelid moet worden, maar de markies ziet het een tikkeltje anders, omdat niet deze Bommel de zwelbast, maar de zwelbast Bommel hier heeft gebracht.

Zwelg stelt aan heer Bommel voor om een hol te zoeken in het woud. Want hij voelt zich meer thuis tussen rottende bladeren en moerasnevels. Ambtenaar eerste klasse Dorknoper wordt van zijn vrachtauto met belastingopbrengsten beroofd. Dit nadat hij een dwangbevel vermogensbelasting aan de kasteelheer had overhandigd en Zwelg had gewezen op zijn verzwegen inkomen. Heer Bommel geeft Zwelg in overweging de ambtenaar te laten gaan, omdat de overheid geen losgeld betaalt voor haar ambtenaren. Dorknoper kan zo ongeschonden wegrijden met een lege vrachtwagen. Zwelg begraaft met heer Bommel de belastinggelden bij een oude eik. Want het is zonde om alle schatten steeds mee te sjouwen.

Intussen hangt de stad Rommeldam vol met opsporingsbiljetten: “Bommel O.B. en Zwelbast Zwelg.” Super en Hieper beklagen zich tegenover Tom Poes over de roof van de belastinggelden. Omdat 'broodroof' dreigt besluit het duo zich met de opsporing van heer Bommel en Zwelg te gaan bemoeien en ze regelen een volmacht bij burgemeester Dickerdack om hun gang te mogen gaan. Met die volmacht laden ze een vrachtwagen vol met kostbaarheden afkomstig uit slot Bommelstein. De protesterende bediende Joost wordt weggezet als ‘kapitalistenknecht’ en is sowieso kansloos wegens de geschreven volmacht. Maar Tom Poes is meegereisd in de open vrachtwagen en waarschuwt het duo woudrovers. Hoewel Zwelg niet veel van de huisjeshokker Tom Poes wil weten, besluit hij toch een mooie valkuil te graven voor de vrachtwagen vol kostbaarheden. Met getrokken pistool rijdt Bul Super de kuil in. Zwelg hangt de gevallen zakenlieden zonder pardon op aan hun jas in een boom, maar heer Bommel ontdekt dat de roofwaar allemaal uit zijn eigen huis afkomstig is.[4] Hij besluit Zwelg hierom te verlaten. Na enige uitleg begrijpt de zwelbast dat heer Bommel een dol eigen leven wil gaan leiden. Hij wijst hem ten afscheid nog op de vindplaats bij de oude eik.

Heer Bommel wordt weer aangesproken door Tom Poes, die erg blij is dat hij gescheiden is van de zwelbast. Wel stelt hij enige tijd gevangenisstraf in het vooruitzicht. Heer Bommel probeert hierop tevergeefs zijn jonge vriend weg te blazen. Hij vervolgt zijn eenzame weg en belandt in het riviertje de Rommel, waar Super en Hieper hem volgaarne uit vissen. Het zakenduo brengt de machteloze heer, gehuld in bontvel met houten knuppel, rechtstreeks naar de burgemeester. Die laat de kasteelheer onmiddellijk gevangen zetten. Daarmee hebben ze de helft van de beloning, 5000 florijnen, verdiend, maar is het probleem niet opgelost. Want kruidenier Grootgrut is op klaarlichte dag beroofd en komt klagen bij de burgemeester. Tom Poes weet Dickerdack ervan te overtuigen dat Zwelg alleen maar gevangen kan worden door heer Bommel als lokbeer in te zetten. De burgemeester vindt dit een uitstekend plan. Want als Bommel ooit voor een rechter zou komen dan zal die gekke weddenschap uit de Kleine Club ook boven tafel komen.

In zijn cel heeft heer Bommel grote moeite met het plan. Want Zwelg is zijn vriend, die hij niet wil verraden. Bediende Joost komt een gepaste ruitjesjas brengen en biedt tegelijkertijd zijn ontslag aan. Dat gaat hem aan het hart vanwege de gezellige winteravonden en de rust van slot Bommelstein en het fraaie park in de zomer. Hierop besluit heer Bommel alsnog de zwelbast, zijn vriend, te gaan ophalen.

Gedekt door de politie zoekt heer Ollie Zwelg weer op. Wanneer die het verraad bemerkt krimpt hij ineen en is een makkelijk te vangen prooi. Tom Poes leest het spannende verhaal in zijn krant en rent opgetogen naar slot Bommelstein. Hij legt uit dat doctorandus Zielknijper zwelgje “niet toerekeningsvatbaar” heeft verklaard en dus niet zal worden vervolgd. Maar hij is overgedragen aan Super en Hieper, voor Supers Zwelbast Show. De toorn van heer Bommel ontlaadt zich jegens zijn goede vriend, die hij er ook van beschuldigt de list te hebben verzonnen, waarmee hij uit zijn cel kwam. Heer Bommel heeft genoeg van listen en stoofjespraat en gaat zijn vriend redden.

Hiermee is het avontuur dus niet afgelopen, omdat Super en Hieper een circusact met Zwelgje organiseren. Heer Ollie heeft spijt van zijn verraad en besluit daarom alles op alles te zetten om de zwelbast hieruit te redden. Met zijn voorlader stormt hij de circustent binnen en bedreigt Bul Super. Commissaris Bulle Bas wil heer Bommel arresteren, maar op dat moment zwelt Zwelg op tot ongekende afmetingen. Hij blaast de gehele tent omver en het circusterrein wordt in chaos achtergelaten. Dan komt het moment van het definitieve afscheid, want Zwelg wil graag blijvend terug naar zijn soortgenoten in de Zwarte Bergen. Hij laat aan zijn roofmakker Bommel de schatten na onder de bekende oude eik. Heer Bommel legt hem bij hun afscheid uit dat hij een “heer” is, dus noch een rover noch een stoofjesklant.

Tom Poes heeft intussen burgemeester Dickerdack de circusact uitgelegd. Heer Bommel was de enige die wist hoe gevaarlijk Zwelg de Zwelbast was. Niemand luisterde naar hem, zodat hij maar één oplossing zag. Nu is het te laat. De held van Rommeldam is ontvoerd door de zwelbast. Commissaris Bulle Bas is even later daarom blij een ongeschonden Bommel aan te treffen. Hij krijgt alle lof voor het verjagen van het monster.

Hiermee wordt Rommeldam verlost van de vreselijke rover en men is daar heer Ollie, hoewel die dit allerminst verwacht, juichend dankbaar voor.[5] Joost heeft de slotmaaltijd klaar voor de burgemeester, de commissaris en de twee vrienden. Tom Poes hoopt dat zijn vriend iets geleerd heeft. Bommel vraagt wat dan wel? "Bescheidenheid",oppert de burgemeester. "Jullie begrijpen er niets van",sprak Heer Bommel. "Ik heb wel geleerd dat er toch nog altijd iets te zeggen is voor het leven van een heer, maar dat erelidmaatschap hoeft niet."[6]

Verfilming

Dit verhaal vormde voor een groot deel de basis van de tekenfilm Als je begrijpt wat ik bedoel van Rob Houwer uit 1983.

Voetnoot

  1. Zie voor de oorsprong het verhaal: Het monster-ei
  2. De maan schijnt vol, de wind huilt hol In de drakenkloof: Roof! Roof! Roof! De burger vlucht en rilt, als een zwelbast hong'rig gilt: Weg met de kachel en de stoof. Roof! Roof! Roof!
  3. Vergelijk het met een eerder incident met de draak in De split-erwt!
  4. Sieraden van tante Euphemia,mijn borstbeeld, een portretbuste, is er dan geen politie meer?
  5. De afloop van het verhaal loopt zo parallel aan zijn voorganger, De Zwarte Zwadderneel.
  6. Stripstrook 3279 is de uitleiding van dit verhaal en tevens de inleiding van het volgende verhaal: “Het overdoen”. Hierin wordt uitgelegd dat een zelfvoldane kasteelheer de kostbaarheden onder de oude eik had laten opgraven en teruggegeven aan de rechtmatige eigenaars. Tom Poes maakt zich wel zorgen omdat zijn vriend heeft besloten alles zelf te gaan doen.
Voorganger:
Het stenenbeenprobleem
Bommelsaga
8 oktober 1957 - 14 december 1957
Opvolger:
Het overdoen