Eduard Meijers

Ga naar: navigatie, zoeken
Eduard Meijers
Meijers (Leiden, 1917)
Algemene informatie
Volledige naam Eduard Maurits Meijers
Geboren Den Helder, 10 januari 1880
Overleden Leiden, 25 juni 1954
Nationaliteit Nederlands
Beroep rechtsgeleerde
Bekend van Grondlegger van het huidige (nieuwe) Burgerlijk Wetboek.

Eduard Maurits Meijers (Den Helder, 10 januari 1880Leiden, 25 juni 1954) was een Nederlands rechtsgeleerde en grondlegger van het huidige (nieuwe) Burgerlijk Wetboek. Meijers groeide op in een welgesteld Joods gezin, als zoon van marinearts Isidor Meijers en Julie Wolff.

Universiteit

Meijers deed in 1897 staatsexamen gymnasium en studeerde rechtsgeleerdheid aan de Amsterdamse Gemeente-Universiteit, waar hij op 3 april 1903 promoveerde bij Johannes Houwing. Dat zijn interesses verder reikten dan alleen het recht, blijkt onder meer uit zijn filosofische proefschrift, waarin hij het utilisme tegenover het rationalisme van Kant verdedigt en stelt dat het algemeen welzijn als einddoel van elke rechtsinstelling moet gelden. Hierna werkte hij onder meer enige jaren in Amsterdam als advocaat.

In 1910 werd hij hoogleraar in het burgerlijk recht en het internationaal privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden. Zijn oratie had als onderwerp De taak der rechtswetenschap ten aanzien der vrije rechtspraak. Met name de rechtsgeschiedenis had zijn interesse en zijn wetenschappelijke publicaties zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van dit rechtsgebied in Nederland. Ook uit het buitenland kreeg hij veel erkenning: Meijers was eredoctor aan de universiteiten van Aberdeen, Brussel, Glasgow, Leuven, Rijsel en Parijs. Van 1918-1922 was Meijers decaan van de Leidse juridische faculteit; van 1926-1927 was hij rector magnificus. De diesrede van Meijers op 8 februari 1927 behandelde De beteekenis der burgerlijke wet in de huidige samenleving.

Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog was het ontslag van Meijers en andere Joodse wetenschappers door de Duitse bezetter de aanleiding voor Meijers' oud-promovendus Rudolph Cleveringa om op 26 november 1940 zijn beroemde protestrede uit te spreken. Op 7 augustus 1942 werd Meijers met zijn vrouw en dochter gedeporteerd naar Kamp Westerbork. In september 1944 werd hij op transport gezet naar Theresienstadt in het Protectoraat Bohemen en Moravië (thans Terezín in Tsjechië). Ook in gevangenschap hield Meijers zich nog bezig met recht. Meijers overleefde de concentratiekampen en keerde al op 25 juni 1945 terug naar Leiden.

Nieuw Burgerlijk Wetboek

Bij koninklijk besluit van 25 april 1947 werd aan Meijers de opdracht gegeven een nieuw Burgerlijk Wetboek te ontwerpen, ter vervanging van het toen geldende wetboek, dat uit 1838 stamde. In 1954 diende Meijers het ontwerp in voor de eerste vier boeken, vergezeld van een uitgebreide toelichting. Na Meijers' dood werd zijn werk voortgezet door Jan Drion, Jannes Eggens, Frits de Jong en Geert de Grooth. Het eerste boek van het nieuwe Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd in 1970; het tweede in 1976. Pas bijna 45 jaar nadat Meijers met zijn werk begon, op 1 januari 1992, zijn de boeken 3, 5, 6 en een deel van boek 7 die het vermogensrecht behandelen, in werking getreden.

Rechtshistorisch onderzoek

Meijers hield zich behalve met het Nederlandse recht ook met rechtsgeschiedenis in de breedste zin bezig. Hij publiceerde onder andere over de geschiedenis van de universiteit van Orléans, spoorde de persoonlijke aantekeningen over de gang van zaken aan de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland van Cornelis van Bijnkershoek op, gaf een traktaat over internationaal privaatrecht van Baldus de Ubaldis uit en de Inleidinghe tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid van Hugo de Groot. Ook verzamelde hij vele rechtshistorische handschriften en oude drukken die tegenwoordig bewaard worden in de Universiteitsbibliotheek Leiden.

Postzegel

Bij het in werking treden van het eerste boek van nieuw Burgerlijk Wetboek in 1970, gaf PTT een door Jurriaan Schrofer ontworpen postzegel uit met een beeltenis van Eduard Meijers.[1]

Meijerspenning

In 1980 stelde de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Leidse Universiteit de naar Meijers vernoemde Meijerspenning in, een prijs die wordt toegekend aan personen of instanties die door buitengewone verdiensten of op zeer bijzondere wijze een bijdrage hebben geleverd aan de faculteit. De penning werd in 1988 voor het eerst uitgereikt aan Frits Korthals Altes, de toenmalige minister van Justitie.[2] en daarna onder meer aan Hans Nieuwenhuis, de faculteit rechten van de NordWes Kampus Potchefstroom, Robert Feenstra en Ankie Broekers-Knol.

Externe link

Voorganger:
Willem de Sitter
Rector magnificus van de Universiteit Leiden
1926-1927
Opvolger:
Arent Jan Wensinck