Het mengeldier

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en het mengeldier (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot Het mengeldier) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 3 november 1956 en liep tot 31 december van dat jaar. Thema: autobiografie van een heer op middelbare leeftijd.

Het verhaal

Heer Ollie is vergeefs zijn memoires aan het ordenen. Hij is niet verder gekomen dan een werktitel: Belevenissen rondom een Bommel. Zijn studeerkamer toont een zee aan documenten en boeken. Bediende Joost stelt dat er geen lijn in zit en noemt het een rommel. Als er aan de voordeur wordt gebeld koopt Joost van een marskramer, een grijsaard met valies, een witte dophoed. Hij krijgt het hoofddeksel eerst nog een dag gratis op proef. Maar heer Bommel noemt het fatterigheid. Leveranciers horen trouwens aan de achterdeur. Bediende Joost wordt ingezet om zijn paperassen te ordenen. Hij wordt daarin wederom gestoord door gebel aan de voordeur. Het is de meesterschilder Terpen Tijn, die onderdak zoekt in slot Bommelstein omdat zijn tentje is weggewaaid in de novemberstorm. Maar Joost wijst hem de deur. Even later wordt hij lopend met de door zijn werkgever gevraagde encyclopedie wederom gestoord door gebel, nu aan de achterdeur. Terpen Tijn verschaft zich aldaar ongevraagd toegang tot het warme fornuis in de keuken. Heer Ollie vergeet nu zijn memoires, want de kunstenaar belooft de kasteelheer een fijntrillend portret van hem te maken in ruil voor een bed van stro en een bord augurken met suiker.

De volgende dag wil heer Bommel alweer verdergaan met zijn memoires. Bediende Joost wordt wederom gestoord door de voordeurbel. Dit keer is het kruidenier Grootgrut, die zijn overheerlijke spritskoek komt aanbieden. Heer Bommel kapt het gesprek af en verwijst de kruidenier in het vervolg naar de achterdeur. Bediende Joost krijgt opdracht zijn hoed af te zetten tijdens het werk. Na het verorberen van heer Ollie zijn ochtendpap gaat schilder Terpen Tijn aan de slag met het portret van zijn gastheer.

Het door Terpen Tijn gemaakte portret bevalt heer Ollie allerminst. De fiere blik van de Bommels ontbreekt, maar de meesterschilder zegt niet iets te kunnen schilderen dat er niet is. Maar met een kleine ingreep verandert Terpen Tijn het portret desgevraagd in het aangezicht van slot Bommelstein.[1] Een vage massa met slechts een achterdeur als toegang, geheel zonder ramen. Heer Bommel vindt het een gevangenis, en daar kan de schilder wel in meegaan.

De nu woedende heer Bommel zet Terpen Tijn zijn slot uit en die zal alleen maar terugkomen wanneer de kasteelheer het schilderijtje als de waarheid heeft herkend. Bediende Joost krijgt opdracht het doek in de kelder op te bergen. Na deze opdracht wordt het bediende Joost allemaal te veel en hij neemt ontslag.[2] Heer Ollie blijft verslagen achter. Hij probeert zich te ontspannen in de moestuin van Joost. Hij tracht de bloemkolen van zijn bediende weg te schoffelen, die zijn eigen chrysanten overwoekeren. Tot overmaat van ramp ziet hij kasteel Bommelstein achter zijn rug veranderen in de witte vorm met slechts een achterdeur, zoals afgebeeld op het aanzicht van het schilderij. De achterdeur zit nu wel aan de voorkant en heer Bommel meent te dromen. Binnen gekomen verandert de witte dophoed van Joost in een pratend beest, een mengeldier. Het is een verzamelaar, die alles verzamelt en door elkaar roert. Hij is nu bezig met de gedachten en herinneringen van de kasteelheer, waarop heer Bommel vraagt hem dan ook te komen helpen. Het figuurtje noemt heer Bommel, “Bolliebé”. Ondanks zijn waarschuwing valt heer Bommel in een openstaand valluik.

Op datzelfde moment komt Tom Poes poolshoogte nemen bij het kasteel, dat er voor hem nog als vanouds uitziet. Maar binnen hangt een doodse stilte en hij treft zijn gevallen vriend aan in de kelder. Heer Bommel praat over een mengeldier en een valluik. Als bewijs geeft hij een harde trap tegen een witte dophoed. Tom Poes krijgt te horen dat bediende Joost weg is en hij biedt aan zelf te komen helpen. Een achtergelaten besuikerde augurk zet hem op het spoor van Terpen Tijn. Hij krijgt informatie over een schilderij in de kelder, waar heer Bommel niets meer over wil horen. Dat geeft Tom Poes te denken. Want de schilderijen van de meesterschilder zijn eigenaardig en kunnen een rare uitwerking hebben. Hij besluit dat zijn vriend overspannen is geraakt en besluit Terpen Tijn te gaan zoeken. Heer Bommel kijkt hem mistroostig na en gaat verder met het schoffelen tussen de chrysanten. Tom Poes vindt Terpen Tijn die informatie geeft over : “Leveranciers aan de achterdeur”. Een mengeldier zegt hem niet zoveel, maar dat is nu eenmaal het gevaar van al het schrijfwerk. Maar Bommel moet de achterdeur zelf mooi gaan vinden, daar kan Terpen Tijn hem niet mee helpen.[3]

De schoffelende kasteelheer ziet tot zijn onthutsing zijn kasteel weer veranderen. Binnen in de vage steenmassa is wederom het mengeldier. Hij laat Bolliebé een pop zien, waar hij vroeger mee speelde, ondanks het verbod van zijn goede vader. Het mengeldier neemt Heer Bommel mee omhoog naar de ivoren toren waar een fraaie mengelkast staat. Mooi van buiten en een wanorde van binnen. Bij opening van de kast komt er een waterval van papier uit die overgaat in een echte waterval. Heer Bommel ziet dat het allemaal te veel is en hij dreigt te verdrinken.

Inmiddels is Joost zijn vergeten onbetaalde witte dophoed in het kasteel komen ophalen. Hij ziet een waterval naar buiten komen en meent dat een roestige torenkamerwaterleiding is gesprongen. In de torenkamer ziet hij het hoofd van heer Bommel boven het water uitkomen en ook zijn witte dophoed. In een poging de hoed te bemachtigen eindigen heer Bommel en bediende Joost in de kelder. De dophoed is verdwenen en een woedende heer Bommel werpt de vertrekkende bediende het schilderij achterna. Bediende Joost is nu ook door zijn werkgever ontslagen , die hem er van verdenkt alleen maar zich te bekommeren om een witte hoed. Tom Poes verschijnt weer ten tonele en wordt na een korte woordenwisseling ook weggestuurd. Heer Bommel zal het wel weer alleen opknappen.

Alleen gelaten wil heer Ollie eerst de waterleiding afsluiten en een loodgieter bellen. Maar zijn kasteel is wederom veranderd in het Terpen Tijn aanzicht. Binnengekomen ziet hij het mengeldier in een roeiboot. Het figuurtje nodigt hem aan boord uit maar wordt in zijn vriendelijkheid door de kasteelheer met een roeispaan belaagd. Het dier keert zich nu tegen hem en tracht hem als octopus te verdrinken in zijn eigen herinneringen.[4] Het is kruidenier Grootgrut die aan de achterdeur zijn waren aan komt bieden en daar de bijna verdronken heer weet te redden. Het helpt hem dat hij de gewezen zwemkampioen is van het Rommeldamse Overdekte. Daarbij wijst hij heer Ollie op het fraaie schilderijtje, olieverf op linnen, dat hij in de tuin gevonden heeft. Het toont slot Bommelstein met gepaste aandacht voor de achterdeur, de leveranciersingang. Heer Bommel komt langzaam bij kennis en weet het schilderij door de lovende woorden van de middenstander inderdaad steeds meer te waarderen.

Tom Poes heeft intussen Terpen Tijn tegen beter weten in, want hij wist nog niet dat zijn vriend van gedachten was veranderd, overgehaald om het stukje te vernissen. De list werkt, want heer Ollie vindt het schilderij nu dankzij Grootgrut zijn woorden inderdaad wel mooi. De meesterschilder legt nu de laatste hand aan zijn meesterwerk. Bediende Joost keert terug. Hij beseft dat zijn werkgever overspannen was geraakt. Ontslag nemen houdt de goede sfeer in de arbeidsrelatie maar deze keer was het tijdstip wat ongelukkig. Hij vindt in de natte kelder zijn witte dophoed verfomfaaid terug. De aan de voordeur terugkerende marskramer neemt het verlies licht op. Hij constateert dat de hoed dienst heeft gedaan en verkoopt tegelijkertijd een nieuwe almanak.

Heer Bommel verwelkomt Joost en legt uit dat hij stopt met zijn memoires. "Geen memoires voor een heer in de kracht van zijn leven!". Joost bereidt vervolgens een eenvoudige bloemkool à la chrysant[5] voor de marskramer, Terpen Tijn en de twee vrienden. Voor Terpen Tijn zijn er nog besuikerde augurken. Tom Poes is blij dat zijn leugen tegen Terpen Tijn toch nog de waarheid was geworden. Heer Bommel was het schilderij gaan waarderen. Heer Bommel besluit met de woorden: “Het is toch wonderlijk wat een heer allemaal kan, wanneer hij zich in zijn verleden verdiept.”

Voetnoot

  1. Terpen Tijn overweegt: “Zoals de bewoner trilt, trilt het huis.”
  2. Joost stelt: “De maat is vol en dan slaan de remmen los”.
  3. De meesterschilder stelt: “Aanpraten is mijn vak niet.”
  4. Van meer tot vuilnishoop, maar morgen misschien wel goud.
  5. Werkgever en werknemer strijden om ruimte in de moestuin van het kasteel, Joost-bloemkool, werkgever-chrysanten.

Hoorspel

Voorganger:
De wraakgier
Bommelsaga
3 november 1956 - 31 december 1956
Opvolger:
De split-erwt