Het spook van Bommelstein

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en het spook van Bommelstein (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot Het spook van Bommelstein) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 21 november 1974 en liep tot 1 februari 1975.[1] Thema: De geest in de fles.

Het verhaal

Ver in het noorden ligt de hoogvlakte van Kaligaar.[2] De sneeuw verdwijnt er het hele jaar niet en de zon is er maar een paar maanden per jaar zichtbaar. Aldaar daalde een tijdje terug een oude man door de Zerkelpas de berg Seldriaan af. Het is Hocus Pas, magister in de necromantie, op zijn weg naar het zuiden. Zijn aqua vita[3] raakte op, zodat hij contact zocht met andere wezens. Zijn belangstelling werd gewekt door een vervallen toren, die eenzaam op een rots stond. Een passerende houthakker waarschuwde de magister dat het er niet pluis is. Hocus Pas ziet dat als een aanbeveling en in de nacht bereikt hij het verlaten bouwwerk. Hij wacht geduldig op de verschijning van de gastheer, de geest van Gorre Eenoog, de slechtste rover die ooit door de Zwarte Bergen trok. De magister is niet onder de indruk en beveelt de geest wat geestiger te zijn. Gorre heeft problemen. Hij heeft zijn greep verloren en is gekluisterd aan de ruïne. Hocus Pas ziet een geestverwant, die het door samenwerking met hem ver kan brengen. Hij belooft de geest mee te nemen in een fles. Zaken doen is het begin van alle ellende en een geest in een fles is nog altijd goed verkoopbaar. Maar geest Gorre Eenoog krijgt ook nog enige nascholing. Magister Hocus Pas onderwijst hem in het gebruik van ectoplasma. Zijn huidige verschijningsvorm ziet er immers niet uit.[4]

In Rommeldam valt de sneeuw vroeg dit jaar. Heer Bommel veegt eigenhandig zijn tuinpad schoon. Met een muts op zijn hoofd en handschoenen aan. Diezelfde avond al zal zijn buurvrouw Anne Marie Doddel op bezoek komen. Bij het naderbij horen komen van de markies de Canteclaer en diens neef De Futile, duikt de kasteelheer achter een muurtje weg met de bezem nog in de hand. Hij hoort de markies zoals gewoonlijk reppen over een waardeloze steenklomp. Een opgelapte bouwval vol kitsch, de daken lekken en de stenen vallen uit de muur. Een spook zou toch wel het minste zijn om slot Bommelstein waarde te geven. De kasteelheer bespreekt het afgeluisterde gesprek met zijn bediende Joost, die hem buiten zijn warme anijsmelk komt brengen. Joost vindt het kasteel Bommelstein eveneens een goed spookkasteel. “Het enige dat ontbreekt, is een echte geestverschijning, die ons tot aanzien zou kunnen brengen.”

Tijdens de daaropvolgende wandeling komt heer Ollie een oude man tegen die hem staande houdt. Tegen hem klaagt de kasteelheer over het ontbreken van een spook. “Ik heb alles, maar de geest ontbreekt.” De oude man verkoopt hem een geest in een fles. Vier florijnen. Niet goed geld terug. Breng de fles[5] naar huis en laat hem eruit. Heer Bommel werpt nog tegen dat hij niets in de fles ziet. De oude man antwoordt met: “Schijn bedriegt.”

Terwijl heer Bommel terug naar huis wandelt, wordt hij staande gehouden door Tom Poes. Die is tovenaar Hocus Pas tegengekomen. Zijn jonge vriend waarschuwt voor de fles, die gekocht is van de oude magister. Zijn vriend vindt het onzin en betreedt opgewekt zijn kasteel. Hij meldt Joost dat hij een spook heeft gekocht. Hij krijgt als antwoord dat spoken het daglicht niet kunnen verdragen en zich daarom alleen in het donker vertonen. Joost meent te weten dat hij een wens mag doen als de geest wordt losgelaten. Heer Bommel vindt dat een onzinnige gedachte. Hij wil een goed huisspook voor zijn aanzien. Vervolgens trekt heer Bommel de kurk van de fles, die door Tom Poes handig wordt opgevangen. Eerst gebeurt er niets. Tom Poes meldt dat er een vijfpuntige ster op het lak van de kurk staat. De vingers van de kasteelheer worden snel blauw van de kou, die nu afstraalt van de lege fles. Hij voelt zich opgelicht en geeft Joost opdracht de fles in de vuilnisbak te deponeren. De bediende besluit echter de fles in de torenkamer te zetten. Tom Poes vindt dat een goed idee en neemt de kurk mee naar zijn eigen huis. In de torenkamer wordt Joost aangevallen door een kraai. De bediende eindigt de strijd met een ronde fles over zijn hoofd en struikelt de trappen af als hij nadrukkelijk wordt geroepen door zijn werkgever.[6] Nadat Joost overeind is geholpen door heer Bommel biecht hij op dat hij in de torenkamer is aangevallen bij het opbergen van de fles. Joost denkt dat het niet pluis is en beiden voelen ze een vreemde koude in het kasteel hangen.

Wanneer juffrouw Doddel die avond aanbelt, is de vrije avond van Joost al ingegaan. Het thee zetten door een zenuwachtige heer Bommel loopt vreselijk uit de hand. Terwijl hij in de keuken bezig is, komt zijn evenbeeld getooid met zwart ooglapje de buurvrouw beledigen. “Het is je alleen maar om mijn geld en mijn antiek te doen. Geld en kasteel, daar is het je om begonnen!” Anne Marie Doddel verlaat hierop in grote woede het kasteel. Omgekeerd treft de kasteelheer als hij met de eigenhandig gezette thee binnenkomt, een buurvrouw met ooglapje in haar fauteuil aan. Die scheldt hem uit voor knoeier, simmende misgisser, paloeter, een pampel met sintelthee en bol gejengel. Heer Bommel gooit haar het theeblad voor de voeten. Voor hij kwaad kan worden neemt het bezoek afscheid met de woorden: “Dit was erg grappig. Maar het zal toch wel even duren voordat ik terugkom in deze circustent.”

Het valt ook niet te verwonderen dat Joost tegen middernacht een uitgebluste kasteelheer aantreft. Heer Bommel doet verslag van het optreden van mevrouw Doddel. “Wie had dat van haar kunnen denken?” Joost antwoordt dat schijn bedriegt. En het antieke theeservies is nog te koop in de supermarkt. De bediende veegt de rommel op en treft in de keuken een nieuwe huisknecht aan die sigaren rookt en port drinkt en er ook verder zijn gemak van neemt. Omdat de nieuwe huisknecht een ooglapje op heeft en Joost voor veel lelijks uitmaakt, dringt het lawaai uit de keuken het kasteel verder binnen. Joost komt verontwaardigd uit de keuken gelopen en biedt onmiddellijk zijn ontslag aan. Heer Bommel en Joost bedaren omdat ze beiden beseffen dat het ooglapje al eens eerder is beschreven. Ze lopen samen naar de keuken en zien daar niet veel meer dan een brandende sigaar. Joost vindt dat ze hem hadden moeten zien. Hij is weg en dat kan niet, het is niet gewoon. Terwijl Heer Bommel met loden schoenen naar bed gaat, neemt Joost nog een kijkje in de torenkamer. Hij hoort er een akelige lach en weet het nu zeker dat het spookt op Bommelstein.

De volgende ochtend krijgt de bezorgend kruidenier Grootgrut het spookverhaal van Joost te horen. En zijn volgende klant is de kok van de markies. Heer Bommel staat mistroostig op een brug over de rivier te staren. Tom Poes vraagt hem wat er scheelt maar het antwoord is “alles”. Omdat Tom Poes begrijpt dat Doddeltje het probleem is, besluit hij haar kant van het verhaal te aanhoren. Het verhaal van de buurvrouw is tegengesteld van dat van zijn vriend. Het ooglapje zat in haar beleving op het hoofd van de kasteelheer. Tom Poes denkt dat het allemaal komt door een gekochte fles. Doddeltje laat hem niet uitpraten. Het is best mogelijk dat hij onder invloed van de fles is. Dat maakt geen verschil. Nooit zet ze meer een voet in dat huis.

Op Bommelstein heeft brigadier Snuf een vruchteloos onderzoek uitgevoerd. Er zijn geen sporen of vingerafdrukken van een vreemde indringer in de keuken te vinden. Joost vertelt Tom Poes dat hij nu zeker weet dat het spookt. Tom Poes herinnert aan de geest in de fles. De bediende gaat zijn tante inschakelen, Melisse, een heel begaafd medium. Ook de markies meldt zich. Hij zal die avond ongevraagd langs komen als lid van de Commissie tot Onderzoek van Spookhuizen. Dit wel met het oog om Heer Bommel te ontmaskeren. De boze kasteelheer stort zich in zijn Oude Schicht en rijdt stadwaarts om doctorandus Zielknijper te raadplegen. Die moet hem van zijn spook af helpen. Heer Bommel mag plaatsnemen op de sofa en zijn verhaal vertellen. De zielkundige houdt zich intussen onledig met het in en uit laten springen van zijn balpen. De diagnose kan volgens de deskundige nog wel enige jaren op zich laten wachten. Heer Bommel wil weten wat er is gebeurd. De zielkundige legt hem hierop wel een aantal zaken uit. “De kwestie is dat u anderen ziet zoals u denkt dat ze zijn. Niet zoals ze werkelijk zijn. En anderen zien u, zoals ze denken dat u bent. Iedereen is slechts een verzinsel van degene die hij ontmoet. Een schim, een fantoom, kunt u me volgen?” Heer Bommel raakt een weinig opgewonden maar wordt gelast rustig te blijven. "Spoken bestaan niet, het zijn dwangvoorstellingen", roept de zielkundige. Maar de kasteelheer komt niet meer terug voor een vervolgafspraak. Hij gaat zijn buurvrouw nog eens aanschouwen. Dat gesprek loopt uit de hand. Want Heer Bommel stelt dat hij haar gisteravond niet echt heeft gezien. De buurvrouw was een spook. Hierop noemt de buurvrouw hem een ongelikte beer. Ze wil hem nooit meer zien en gooit het bovendeel van haar dubbele deur keihard dicht.

Na een vreugdeloos maal probeert Joost zijn werkgever op te vrolijken met het bezoek van zijn tante Melisse. Heer Bommel gelooft inmiddels dat het spook in hem woont. Op dat moment kondigt de markies zijn komst aan. Hij wordt door Joost op een keukenstoel in de lege torenkamer gezet. Hij voorziet het vertrek van microfoons en camera’s en wacht af. Het wachten wordt beloond door een verschijning van Heer Bommel met ooglap, die echter ook in het niets weer oplost en zich niet laat fotograferen door een instant camera. Na een korte woordenwisseling op de begane grond met heer Bommel en bediende Joost keert de markies terug naar de torenkamer. Daar heeft een in het zwart geklede dame met zwarte zonnebril op zijn keukenstoel plaatsgenomen. Het medium Melisse. Tegelijkertijd begroet aan de voordeur van het kasteel tante Melisse haar neef Joost. In de torenkamer wordt de markies voor de tweede keer verrast. Het medium gewaagt in de torenkamer van de slechtste rover uit de Zwarte Bergen en laat slechts een kapotte keukenstoel achter. De ontmaskering van Bommel valt de markies zwaar en hij neemt klagend afscheid van Tom Poes, die intussen ook door het spookkasteel dwaalt. In het seance vertrek hadden intussen heer Bommel en het medium Melisse plaatsgenomen aan een ronde tafel. Deze komt hoog opspringend op de tenen van de kasteelheer terecht. Laatstgenoemde beëindigt schreeuwend van de pijn de seance. Volgens het medium is er een erg onrustig geest op het Astrale Plan. Heer Bommel wil onmiddellijk naar bed zodat Joost met de thee en zijn tante achterblijft. Joost wordt door zijn tante sterkte gewenst, omdat zijn werkgever onder invloed van een kwade macht is.

Magister Hocus Pas komt naar het kasteel Bommelstein. Tom Poes hoort hem zeggen dat zijn krachten afnemen. Hij moet levenswater van heer Bommel aftappen. Tom Poes luistert verder mee aan de deur van de torenkamer. Gorre Eenoog ligt achter op het maanschema. Bij volle maan moet Bommel afgetapt worden. Gorre klaagt tegen de magister dat de gastheer te weinig tegenwoordigheid van geest heeft. Het project duurt zo langer. Tom Poes steelt een flesje met het opschrift aqua vita uit de ransel van de magister. De markies heeft intussen geen hulp gekregen van de professor Prlwytzkofsky. Die is bezig met DNA-onderzoek en vindt het onderzoeken van fantomen niet wetenschappelijk. Op de terugweg ziet de markies dat Tom Poes wordt lastig gevallen door een kraai. Het flesje levenswater valt kapot en Tom Poes kan nog maar een paar druppels redden. Magister Hocus Pas roept de kraai Wederik aan en merkt tegelijkertijd de diefstal. Hij is nu gedwongen een voorstel van Tom Poes aan te nemen. Het restantje gestolen levenswater in ruil voor de geest in de fles. De sterrenkurk heeft Tom Poes bewaard. Onmiddellijk na de ruil neemt de magister de laatste druppels levenswater tot zich en vliegt weg in noordelijke richting. Heer Bommel en de markies zijn in een geanimeerd gesprek geraakt over spookverschijnselen. Dat onderhoud wordt bekroond door de fles met sterrenkurk, die Tom Poes teruggeeft aan zijn vriend. Die schenkt de fles[7] op zijn beurt aan zijn buurman. Vervolgens komt een opgewonden Doddeltje vertellen van haar ontlastende gesprek met het medium Melisse. Ze hoopt dat Ollie niet meer boos op haar is. En deze keer heeft Joost gerekend op de lunch voor de twee vrienden en Doddeltje. Heer Bommel stelt dat de geest is bezworen , omdat de jonge vriend hem weer in de fles heeft gekregen. Tom Poes heeft nog een “Hm” over, omdat hij meent dat Hocus Pas nooit te vertrouwen is. Ook niet als hij zijn woord geeft.

Dat blijkt deze keer mee te vallen. De markies en zijn neef De Futile zien de gordijnen wapperen, bij het opdienen van de paté de foie gras. De markies meent in de vage geluiden van “O wee, o wee” de stem van grootvader te herkennen. Het was echter de geest van Gorre Eenoog, die zich had genesteld in de logeerkamer. Hij is blij dat hij van het ectoplasma af is. Het aannemen van al die gedaantes was even leuk. Maar het was erg vermoeiend bij zo’n pimpel als Bommel!

Voetnoot

  1. De Thoma Fele nec non et de larva Bommelsteiniana / scripsit picturisque linearibus ornavit Marten Toonder; vert. [e Belgica] Latine K.H.E. Schutter. - Hagae Comitis ['s-Gravenhage] : Panda, 1995. - 77 p. : ill. ; 23 cm Vert. van: Tom Poes en het spook van Bommelstein. - 1974. ISBN 90-6438-118-6 geb. Een enige bommelvertaling in het Latijn met de Franse uitroepen omgezet in het Grieks
  2. Hemelsbreed ruim 100 km ten noordnoordoosten van Rommeldam.
  3. levenswater
  4. Gorre Eenoog is getekend als klassiek spook met laken en één oog.
  5. Het betreft een bolvormige fles
  6. Heer Bommel is zenuwachtig want Joost heeft die avond een vrije avond en de buurvrouw komt langs.
  7. De fles is een lege chateau Miralle.
Voorganger:
De Hopsa's
Bommelsaga
21 november 1974 - 1 februari 1975
Opvolger:
De kaligaar