Het vereeuwen

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel gaat vereeuwen (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot Het vereeuwen of Tom Poes en het tijddeurtje) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 12 maart 1954 en liep tot 1 juni 1954. Thema: Een oefening met de tijdspiraal.

Het verhaal

Het voorjaar zit in de lucht en daar wordt Tom Poes altijd erg onrustig van. Hij stopt wat boterhammen en een flesje melk in een doek en hangt dat alles aan een stok over zijn rug en begint te wandelen. Voor avonturen zoekt hij het Donkere Bomen Bos op. Hij ontdekt daar een ruïne met een poortje en een stevige eikenhouten deur, die wordt omlijst door vreemde tekens in het kozijn. Hij gaat zijn boterhammen opeten en ziet een ruige man in vreemde klederdracht uit die deur komen. Hij sluit de deur af met een sleutel. Er ontstaat een merkwaardige dialoog met de vreemdeling, die zegt uit 13 februari 1353 te komen, zes eeuwen eerder.

Wanneer Tom Poes 's avonds op kasteel Bommelstein aankomt is het al te laat. Bediende Joost heeft het idee dat er iets vreemds aan de gang is. Notaris Scheurleer stelt binnen een document in triplo op waarbij Baron[1] Everhart uit 1353 van kasteel ruilt met Heer Ollie uit 1953. Slot Bommelstein tegen een ruïne in het Donkere Bomen Bos. De twee ruzie makende vrienden worden door de baron uit zijn nieuwverworven slot Bommelstein gezet.

Het lachen vergaat Heer Bommel bij het zien van zijn ruilobject, een ruïne. Voor Tom Poes stapt hij door het deurtje. Nadat Tom Poes hem is gevolgd draait hij het aan de binnenkant op slot. Ze komen midden in de belegering door de Laagbrauwen van het kasteel van de Hoogbrauwen. Heer Bommel probeert tevergeefs de leiding van de verdediging op zich te nemen, maar dat leidt tot niets. Heer Bommel verliest in de chaos de sleutel van het kasteel in de slotgracht. Een gemotiveerde Tom Poes weet ternauwernood de sleutel weer op te vissen. De Laagbrauwen veroveren het kasteel voor hun koning, die aldaar zijn intrek neemt.

De koning werpt Heer Ollie in de gevangenis waar Tom Poes hem uithaalt. Bij hun ontsnapping stuitten ze op magiër Droezeloor, een bondgenoot van heer Everhart, de baroen. Hij heeft het tijdontsnappingspoortje voor hem ontworpen maar het werkt alleen vrijdag de dertiende, en dat was gisteren. In de hut van de magiër worden ze voorgesteld aan de heren Popelijn en Pork, de twee meest geduchte ridders van baroen Everhart. Heer Bommel wordt gedwongen afstand te doen van zijn ruitjesjas.[2] Maar hij wordt nog wel gezien als de aanvoerder van de opstand tegen de koning. Laatstgenoemde maakt gemene zaak met volk en legt edelen belasting op. In een gesprek met Tom Poes, die hem verwijt een slecht zwaardvechter te zijn, vat heer Bommel het plan op het buskruit uit te gaan vinden. De andere dag krijgt heer Bommel een wambuis uitgereikt in plaats van zijn ruitjesjas. De tovenaar is enthousiast over de buskruitplannen van heer Bommel en geeft hem wat geld uit de oorlogskas. De sleutel en de ruitjesjas verdwijnen terug in de kist.

Heer Bommel doet inkopen in de stad Rommelredamme, zwavel en andere stoffen om buskruit te maken. De chirurgijn annex winkelier levert wat bestanddelen, waarmee heer Bommel en Tom Poes ijverig mee in vijzels aan de slag gaan. Het helpt wel dat de hut van de magiër tijdelijk verlaten is. Maar een spion[3] van de schout,[4] laat het duo arresteren. De schout constateert na een simpel verhoor dat er sprake is van rebellie en zwarte konste. Heer Bommel wordt vastgezet op de markt in een schandblok. Nadat Tom Poes hem later op de dag voor de vorm met fruit heeft bekogeld, bevrijdt hij zijn vriend na de spion van de schout, die als bewaker optreedt, te hebben uitgeschakeld

In het bos worden ze gevangengenomen door huurlingen van de Hoogbrauwen. Omdat de geldkist door de schout naar het kasteel is gebracht zit er niets anders op dan die kist te gaan zoeken. Want huurlingen vechten slechts voor geld en niet voor principes. Met hulp van een soldaat, een heimelijke hoogbrauw,[5] weten ze de geldkist wel te bemachtigen maar krijgen hem niet open. Ze moeten vluchten want de huurlingen zijn gaan muiten omdat er niet betaald wordt en dreigen het kasteel en alle levende wezens te liquideren. Op de vlucht van heer Bommel en Tom Poes gaat de kist bij het vallen van een keldertrap alsnog open en de sleutel, goudstukken en ruitjesjas komen tevoorschijn. Omdat het toevallig vrijdag de dertiende is kunnen ze ontsnappen naar 1953. Heer Bommel in ruitjesjas, maar met achterlating van de goudstukken.

Teruggekomen bij slot Bommelstein wil de Baron wel terugruilen, na een aanslag met de vijfde penning [6] door ambtenaar eerste klasse Dorknoper. Tom Poes helpt de mishandelde ambtenaar overeind, die spreekt over belediging, subsidiair geweldpleging en wellicht een poging tot moord. Hij legt aan baron Everhart uit dat in de huidige tijd de laagbrauwen de hoogbrauwen definitief hebben verslagen. Het heffen van belastingen van edelen is staande praktijk. Tom Poes helpt de edelman via het poortje uit het verhaal te verdwijnen. Na de vlucht van de baron draait Tom Poes de sleutel om en gooit die weg in het bos.

Commissaris Bulle Bas en ambtenaar Dorknoper komen bij heer Bommel intussen verhaal halen. Hij vertelt dat de baroen terug is naar zijn eigen tijd om te vereeuwen. De commissaris noemt Bommel hierop recalcitrant. Bommelstein zal de volgende ochtend van staatswege worden verkocht. Die avond weet Tom Poes Heer Ollie over te halen te gaan spitten en na veel gezwoeg bij de ruïne graven ze de kist met goudstukken uit 1353 op. Heer Bommel heeft de eigendomsakte van de burcht en is zo eigenaar van de goudschat.

Op de openbare verkoop zijn burgemeester Dickerdack en de markies serieuze kandidaten, doch zelfs Grootgrut koestert al dromen om groter te gaan wonen. Het bod van de burgemeester van 100 florijnen wordt door de markies overtroffen met een bod van 1000. Maar Heer Bommel wint moeiteloos met een bod van 1000 gouden rijders. Na ampel beraad moet ambtenaar eerste klasse Dorknoper het bod als geldig bestempelen. De notaris maakt vervolgens de papieren weer in orde. Ambtenaar Dorknoper geeft een stempeltje en zo is heer Ollie weer eigenaar van slot Bommelstein. De overige aanwezigen verlaten mopperend het terrein.

Bediende Joost komt ook langs. Hij wil wel weer de verzorging op zich nemen maar wenst niet dat zijn persoon ooit nog eens in een ruil zal worden betrokken. Joost serveert vervolgens de slotmaaltijd voor de twee hoofdpersonen. Heer Bommel besluit het verhaal met de zinsnede: "Op mijn leeftijd moet men niet meer vereeuwen, als je begrijpt wat ik bedoel"

Voetnoot

  1. In 1353 wordt hij ‘baroen’ genoemd.
  2. De jas is laagbrauw-kleding, hoewel heer Bommel stelt dat het prima Harris-tweed is.
  3. In alles lijkend op Hiep Hieper.
  4. In alles lijkend op Bul Super.
  5. In alles lijkend op bediende Joost, die zegt zich na het lezen van prentverhalen aan de zijde van de hoogbrauwen te hebben geschaard.
  6. 20% Belasting.
Voorganger:
De spiegelaar
Bommelsaga
12 maart 1954 - 1 juni 1954
Opvolger:
De a-prillers