Het wegwerk

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en het wegwerk (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot Het wegwerk) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 25 september 1950 en liep tot 28 december van dat jaar. Thema: Waar een wil is komt een weg.[1]

Het verhaal

Wanneer Tom Poes na enige weken heer Bommel weer eens opzoekt, zit de kasteelheer bedrukt in zijn bibliotheek. Hij heeft ontdekt na lezing van het boek: De Levens van Grote Mannen, dat hij niet tot die categorie behoort. Hij zit als een eenzaam heer in zijn leeszaal en niemand trekt zich iets van hem aan. Na een kort telefoongesprek met de bank vertrekt hij met Tom Poes in de Oude Schicht naar Rommeldam om zijn geld te tellen voor de belastingaangifte. Aan de balie van de bank is de kasteelheer getuige van het gedecideerd optreden van Grootvos Nicolaus, een internationaal zakenman. Na een gezamenlijke inspanning met Tom Poes in zijn privékluis kan heer Bommel zijn bezit beschrijven. Er zijn 365 zakken met gouden florijnen. Maar heer Bommel vindt zijn geld dom geld, terwijl de man zonet bij de balie duidelijk bezig is met wereldzaken. De passerende Grootvos neemt goede nota van deze mededeling, nu hij net voor een kredietaanvraag door de bank is afgewezen. De klerk van de bank raadt de uitgetelde heer Bommel aan om zijn geld te gaan investeren. Dit met het oog op een anders te verwachten hoge belastingaanslag.

Buiten op straat loopt heer Bommel de Grootvos Nicolaus onderste boven[2] en samen met Tom Poes gaan ze in een taveerne een consumptie gebruiken. Heer Bommel knapt helemaal op door het gesprek met de Grootvos over alle aspecten van het zaken doen en is dan ook wat blij een lift aan te mogen bieden met de Oude Schicht. Het blijkt dat aan de rand van De Zwarte Bergen het wegwerk van Nicolaus-Wegwerken begint. Er moet een weg komen dwars door dit gebergte naar het onbekende gebied ten oosten. Een werk van historische betekenis. Eindelijk kan de beschaving naar de andere kant van De Zwarte Bergen worden gebracht.

In de bouwkeet van het wegwerk blijkt dat de Grootvos snel naar een andere plek op de aarde moet. Hij vindt heer Bommel bereid als wegenbouwer aan de slag te gaan en laat hem ongelezen een contract tekenen. Als de weg klaar is delen de vennoten Bommel en Nicolaus de winst. Als de weg niet af komt vervalt het hele kapitaal van heer Bommel aan Grootvos Nicolaus. Heer Bommel tekent haastig voordat Tom Poes zulks kan beletten. Grootvos Nicolaus leent vervolgens de Oude Schicht voor zijn tocht naar midden-Gambië, terwijl Tom Poes het telegram voorleest waar heel iets anders in staat. “Verdere leveringen worden niet gedaan. Eerst betalen.” Heer Bommel staat er wat verdwaasd bij te kijken.

Heer Ollie en Tom Poes blijven achter met de enige werknemer in de persoon van Wammes Waggel. Laatstgenoemde ontpopt zich als terreinbewaker,[3] wegjager, administrateur en werkbaas. Maar de werknemers zijn een week geleden weggelopen omdat ze geen centjes kregen. Maar Wammes heeft nog wel dynamiet over, om de berg op te blazen. Zonder dynamiet geen tunnel. Heer Bommel probeert intussen vergeefs telefonisch geld los te krijgen bij zijn bank, maar door zijn borgstelling met heel zijn kapitaal voor het wegwerk is dat niet meer mogelijk. De in de bank toevallig aanwezige Grootvos Nicolaus wijst hem daar fijntjes op.

Wammes Waggel blaast intussen zijn dynamiet op en er volgt een reusachtige knal. Na de ontploffing mist heer Bommel zijn vriend Tom Poes en gaat vertwijfeld in de bodem graven, daarbij geholpen door Wammes Waggel. Heer Bommel haalt een raar zwart mannetje uit de kuil, dat zich voorstelt als diepdelver. De zwarte mannetjes doen graag wat anderen willen en na enige verkeerde wensen begrijpt heer Bommel wat er van hem wordt verlangd. Hij moet iets echt willen, dan komen de mannetjes graag in actie. Tom Poes is echter niet onder puin bedolven, maar komt langzaam bij kennis tussen de wegwerkbarakken. Hij wordt gestoord door Grootvos Nicolaus in de Oude Schicht, die zijn baas wil spreken. Tom Poes noemt hem een oplichter die de werklieden naar huis heeft gestuurd. Hij zegt zelfs dat Nicolaus geenszins een Grootvos is, maar een gewone oplichter met de naam Joris Goedbloed. Laatstgenoemde legt vol goede moed een bezoek af bij ‘koelak Bommel’, maar dat valt hem tegen. Hoewel de kasteelheer er eerst nog wat versuft bij zit, is hij even later in staat de bezoeker als een onbevoegde weg te sturen. Tom Poes gaat naar Wammes Waggel, die bevestigt dat het vol zit met zwarte mannetjes. Ze bestaan niet maar ze zijn wel handig omdat ze goed kunnen werken. Dat blijkt vlak daarna als de mannetjes Tom Poes eerst begraven en vervolgens weer uitgraven omdat dat nu eenmaal hun opdracht was. Heer Bommel is nu boos op de kereltjes en wenst dat ze verdwijnen.

Terwijl heer Bommel en Wammes Waggel in een van de barakken de nacht doorbrengen, gaat Tom Poes naar buiten op verkenning. Omdat hij in stilte weer denkt aan de zwarte mannetjes, meldt zich een zwart kereltje bij Tom Poes. De diepdelver legt uit dat willen heel moeilijk is en dat de diepdelvers daarom besloten hebben om te doen wat iemand anders wil. Tom Poes wil nu dat er weg wordt aangelegd dwars door de berg heen naar het oosten. De andere ochtend wordt heer Bommel met hoofdpijn wakker. Hij gaat mopperend op zoek naar Tom Poes die hem zoals altijd in de steek laat zodat een Bommel er altijd alleen voor staat. Hij treft Tom Poes aan bij de ingang van de tunnel en hij krijgt te horen dat de weg bijna klaar is. Ze kunnen samen naar de andere kant van de berg.

Grootvos Nicolaus komt diezelfde ochtend wederom poolshoogte nemen en hoort nog net dat heer Bommel aan de diepdelvers een nieuwe opdracht geeft.[4] De diepdelvers rapporteren aan het eind van de weg een ijzeren muur. Desgevraagd geeft heer Bommel aan hen opdracht dwars door die muur te gaan met de weg. Grootvos Nicolaus rijdt in de Oude Schicht de tunnel in en op advies van Tom Poes gaan ze gedrieën met een stoomwals achter hem aan. Wammes Waggel mag voor de stoom en de besturing zorgen. Aan de andere kant van de muur zijn geen diepdelvers meer te bekennen en als heer Bommel opdracht geeft aan Wammes Waggel om met de stoomwals door de muur te rijden, belandt het voertuig in een diepe valkuil.[5]

Nadat het drietal uit de kuil is geklommen, staan ze tegenover drie vreemde figuren met oogkleppen, die bonnetjes uitschrijven. Heer Bommel vindt het maar vreemde douanebeambten, die hij kopkleppers noemt. Hij probeert de nieuw aangelegde weg uit het westen op zijn naam te schrijven, maar de willoze wezens kennen slechts Enooch als grote leider. Terwijl heer Bommel door het heersende automatische systeem wordt afgevoerd, krijgt Tom Poes een handboek te lezen. Daar staat in dat iedereen een hoofd met oren heeft om te horen wat Enooch zegt, een mond om te zeggen wat Enooch zegt en ogen om dat ook nog eens te lezen. Het hoofd heeft hersens om te denken wat Enooch denkt. Bij afwijkende gedachten ontstaan er gistingen en worden deze besmettelijke patiënten afgevoerd naar de Toren der Opperste Wijsheid. Tom Poes weet nu wel waar hij heer Bommel kan vinden en gaat op onderzoek uit.

Intussen heeft heer Bommel Wammes Waggel hervonden, die zich met bonnetjes bezighoudt evenals de diepdelvers, die luisteren naar een klopklepper. Heer Bommel draagt de kereltjes op de weg af te maken met de enorme ellendige papierhoop. Hij denkt dat Tom Poes buiten aan het pret maken is, maar dat is niet waar. Hij haalt van drie kopkleppers hun hoofddeksel af, zodat ze zijn verlost van de voortdurende instructies van Enooch. Maar daardoor worden het drie volkomen hulpeloze wezens,die hem tot geen enkel nut strekken. Zelf belandt hij op de bovenste verdieping en ziet dat een grammofoonspeler de instructies ronddraait. De platenspeler als feitelijke koning Enooch. Beneden staat heer Bommel glunderend tussen zijn diepdelvers, die de weg bijna af hebben gemaakt. Toch is er nog een denkende kopklepper die een alarmknop indrukt. Tom Poes ziet boven dat er nu een andere plaat wordt gepakt om te draaien door de platenwisselaar. Hij probeert zulks te verhinderen maar wordt in zijn nekvel gegrepen door de weer opduikende Grootvos Nicolaus. Laatstgenoemde werpt hem in een lift en neemt de controle over van de machinekamer. Hij haalt de hefboom over die de Enooch-dozer in werking stelt en wacht de ontwikkelingen in vertrouwen af.

Tom Poes bereikt zonder veel problemen de vlakte waar heer Bommel de leiding heeft. Zijn diepdelvers hebben de weg bijna af. Alleen moet er nog een gat in de ijzeren muur worden gemaakt. Tom Poes meent gehoord te hebben dat de ijzeren muur slechts met geweld kan worden doorbroken. Heer Bommel pocht slechts over het onschadelijk maken van de kopkleppers en de arbeidende diepdelvers. Hij is nu heer Bommel, de Wegbouwer. Maar dan duikt de Enooch-dozer op, een monsterlijke kruising tussen een tank en een wegwals. Grootvos Nicolaus ziet het hoog boven op een beeldscherm gebeuren. Heer Bommel en Tom Poes moeten rennen voor hun leven, terwijl Wammes Waggel lachend de monsterachtige machine achterna rent. Laatstgenoemde weet op de machine te klimmen en heeft het reuze naar zijn zin. Het gaat er om wie het eerst bij de muur is. Vlak voor de muur is er nog een allerlaatste gat in de weg, waarin Tom Poes en heer Bommel nog net in passen. Boven hun hoofd raast Wammes Waggel op de Enooch-dozer dwars door de ijzeren muur. Hij claimt giechelend de overwinning, sloopt de ijzeren muur en trekt verder.

Grootvos Nicolaus neemt zijn nederlaag sportief op en feliciteert heer Bommel met zijn wegwerk. Maar Tom Poes is het niet eens met de uitleg van de toestand. Koning Enooch bestaat niet, het is allemaal bedrog. Nicolaus ziet het toch een slagje anders. Het is niet belangrijk wie de wet voorschrijft, maar dat het gebeurt. Op verzoek van heer Bommel zet de Grootvos Nicolaus nu de plaat vrijheid op. Een lange stoet kopkleppers marcheert nu op marsmuziek. Maar ze kijken volgens heer Bommel nog even suf als voorheen. Grootvos Nicolaus belooft de beloning voor het wegwerk te gireren. Tom Poes zoekt nu snel de Oude Schicht op om naar huis te rijden. Die staat bij de driesprong Z, waarbij Nicolaus aangeeft achter te blijven om de grammofoonplaten te blijven besturen. Onderweg wil heer Bommel niet veel meer weten over zijn financiële verdiensten, omdat geld voor hem geen rol speelt.

Terwijl heer Bommel zich verheugt op de thuiskomst bij bediende Joost, heeft laatstgenoemde een onaangename verrassing te melden. Er staat geen maaltijd klaar. Joost neemt zijn bolhoed van de kapstok en verlaat met valies het kasteel wegens wanprestatie. Er zijn veel klachten en dreigbrieven[6] binnengekomen over de kopkleppersgeschiedenis. Dat komt doordat heer Olivier aan politiek doet. Blikken mannen, vibreerputjes een pier-race zijn niet politiek beladen, maar bonnenbergen en kopkleppers wel. Heer Bommel zegt dat hij het er goed vanaf heeft gebracht, maar dat hij het bij één keer politiek bedrijven laat.[7] Hierop trekt Joost deze eerste keer zijn ontslag in en gaat alsnog een eenvoudige maaltijd verzorgen.

Voetnoot

  1. Het verhaal situeert een muur in het Oosten en een weg in aanleg erheen, vlak na de vestiging van het IJzeren Gordijn maar nog voor de bouw van de Berlijnse Muur.
  2. Het incident wordt slim uitgelokt door de zakenman, een alter ego van Joris Goedbloed. Laatstgenoemde had contractuele verplichtingen aan de Provinciale Dagbladen, zie De talisman en onduidelijk blijft of hij er weer bijklust of dat iemand anders hem naspeelt. Tom Poes zegt midden in het verhaal echter onomwonden: "Jij bent geen grootvos, jij bent Joris Goedbloed."
  3. Het is hier verboden voor onbevoegden!
  4. Marten Toonder verwierp de krantenstrips 1130 tot en met 1141 en tekende voor de Volledige Werken de strips 1130a, 1140a en 1141a ter vervanging. Deze drie stroken worden in deze alinea weergegeven.
  5. In de krantenstrips 1130 tot en met 1141 liepen de gebeurtenissen iets anders. Grootvos Nicolaus ziet tijdens een gesprek met Wammes Waggel de Oude Schicht verpletterd worden door een wegwals. Heer Bommel valt flauw bij het vernemen van het lot van zijn platgewalste Oude Schicht. Tom Poes en Wammes Waggel gaan op onderzoek uit en zien dat het verhaal klopt. Door een twistgesprek met Tom Poes krijgt heer Bommel weer vat op de situatie en hij draagt de diepdelvertjes op om zijn automobiel te repareren. Grootvos Nicolaus aanschouwt het toneel van de onderkruiperige werkwilligen. Hij geeft de opdracht om de weg weer af te breken en te herbouwen als piramide. De andere ochtend zien Tom Poes en heer Bommel dat de weg weg is. Tijdens een ruzie tussen heer Bommel en de Grootvos, laat Tom Poes de weg weer hernieuwd aanleggen en de piramide afbreken. Verbeten springt Nicolaus in de Oude Schicht en rijdt pal naar het oosten. Heer Bommel, Tom Poes en Wammes Waggel zetten per stoomwals de achtervolging in en belanden in een valkuil aan de andere kant van het gebergte.
  6. Het thema was in 1950 sterk politiek geladen.
  7. Hij verbreekt zijn belofte al heel snel in De Partij van de Blijheid.
Voorganger:
De volvetters
Bommelsaga
25 september 1950 - 28 december 1950
Opvolger:
Eh... dinges