Mom Bakkesz

Ga naar: navigatie, zoeken

Tom Poes en Mom Bakkesz (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot Mom Bakkesz) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 30 mei 1951 en liep tot 27 augustus van dat jaar. Thema: De meeste tijd gaat verloren aan het zoeken van dingen die er niet zijn.

Het verhaal

Op een stormachtige avond belt Tom Poes aan bij het kasteel Bommelstein. Hij wordt binnengelaten door bediende Joost, die vertelt dat het verjaardagsfeest van heer Olivier reeds begonnen is. Binnen bij de open haard zit heer Bommel onderuitgezakt in zijn leunstoel te luisteren naar een gedicht van zijn buurman, de Markies de Canteclaer. De markies draagt een doorwrocht gedicht voor over de Zwarte Zwabberneel.[1] Bij zijn laatste regel: ‘Op de Zwabberneelse klop die komen gaat’, klinken drie klopjes op de deur. Bij een latere versregel: ‘De tik, de klop, de beknarde bonk van Zwabberneel’, wordt er weer geklopt en gaat de deur open. Een oud mannetje[2] in een zwart manteltje klopt aan en treedt binnen. Heer Bommel vraagt of hij heer Zwadderzeel is. Maar het mannetje vindt de naam vreemd en heeft zelf geen enkele naam. Hij weet dat heer Bommel jarig is en noemt hem Oltje. Hij heeft een doosje met een zogenaamde schaafsteen bij zich. Dit is een diamant die beschaving brengt.[3] Omdat het mannetje moe is nadat hij eeuwenlang de schaafsteen heeft bewaakt, wil hij wat slapen. Hij geeft het doosje met de diamant aan heer Ollie om te bewaren. Hij waarschuwt hem voor Mom Bakkesz,[4] die op de diamant uit is en in allerlei vermommingen verschijnt.

Tom Poes ziet een glazenwasser de ramen zemen in het noodweer en even later komt een gemeentewerkman de elektrische installatie nakijken. Heer Bommel ontbiedt opgewonden met een drukknopje bediende Joost. Hij geeft zijn bediende opdracht de werklieden het huis uit te gooien. Maar als Joost weer weg is, gilt Tom Poes dat het kistje met de diamant weg is. Heer Bommel beseft opeens dat Joost Joost niet was. De twee vrienden zetten met de Oude Schicht de achtervolging in. Heer Ollie en Tom Poes achtervolgen de namaak-Joost. Onderweg pikken ze de detective Jim Mufkins op[5] en komen in een vernietigende botsing met een aansnellende politieauto met brigadier Snuf aan het stuur en commissaris Bulle Bas. Maar het doosje wordt op straat teruggevonden.[6] Jim Mufkins verdwijnt met het doosje als Heer Ollie ruzie maakt over de aanrijding met Bulle Bas. Heer Bommel stelt overigens dat Mom Bakkesz zich vast al als politieagent heeft vermomd. Commissaris Bulle Bas houdt niet van privédetectives, die goed zijn voor lorrige beeldromans. Maar voor de zekerheid neemt hij toch de vingerafdrukken af van zijn ondergeschikten.

Heer Bommel achtervolgt samen met Tom Poes de boef. Ze zien hem ontsnappen op de Albatros en ze weten het schip van gezagvoerder Wal Rus nog net op zee met een roeibootje te bereiken. Het doosje weten ze steeds weer te bemachtigen, maar ze raken het ook steeds weer kwijt. Jim Mufkins neemt op het schip vele vermommingen aan, zelfs die van de kapitein zelf. Na een vermomming als bootsman, legt Tom Poes aan kapitein Wal Rus en heer Bommel uit dat Mom Bakkesz allerlei vermommingen kan aannemen. De kasteelheer vindt het vreselijk dat hij zich in principe ook als heer Bommel kan vermommen. Hij geeft kapitein Wal Rus de schuld van de onveilige situatie aan boord van het schip. Maar de gezagvoerder geeft de overgehaalde brutale landrotten de schuld. Tom Poes probeert de opkomende ruzie te sussen met zijn voorstel om pas morgen Mom Bakkesz te gaan zoeken. Hij kan het schip niet verlaten hebben. Maar de kapitein zegt: “Hm”. Zo’n schurk op het schip geeft vast en zeker narigheid.

In het vooronder is intussen een ongunstig uitziende zeeman met ooglapje aan het werk. Hij stookt met succes de bemanning op om het schip en de lading over te nemen. Het plan is om de kapitein en zijn twee passagiers in een sloep over boord te zetten. De kapitein noemt het muiterij.[7] maar Tom Poes haalt slim het doosje uit de jas van heer Bommel. De aanvoerder van de muiters doorzoekt zo tevergeefs de ruitjesjas van heer Bommel. Heer Bommel gilt om zijn diamant, waarop Tom Poes zegt dat hij die in de kajuit heeft laten liggen. Het drietal wordt nu zonder roeiriemen in een sloep overboord gezet. De kapitein is boos op de muiters en het verlies van zijn goeie schip.[8] Heer Bommel zeurt om zijn diamant. Tom Poes overhandigt nu het doosje weer aan heer Bommel, maar de hoofdman van de muiters ziet dat vanaf de Albatros door een verrekijker. Hij ziet bovendien dat het sloepje aanspoelt op een eiland en hij besluit zwemmend de Albatros te verlaten.

Op het eiland loopt het drietal de detective Jim Mufkins weer eens tegen het lijf. Terwijl heer Bommel in gevecht gaat met een echte aap[9] verdwijnt de detective met het hem toevertrouwde doosje. Hij heeft zijn jas en malle hoedje achtergelaten in de struiken. Tom Poes en heer Bommel besluiten de achtergelaten sporen te volgen. Ze nemen afscheid van kapitein Wal Rus, die door een delegatie van de bemanning op het strand wordt teruggevraagd als kapitein. Ze ontdekken bij een kampvuurtje de zwarte inlander M’Boela. Tom Poes steekt hem in brand als hij probeert de slapende heer Ollie te slaan. Bij deze actie verliest de inlander het doosje. Heer Bommel en Tom Poes kopen een kano om via een rivier de stad te bereiken. Maar ze verongelukken in een waterval en worden ternauwernood van de krokodillen gered door het kordate ingrijpen van M’Boela, die niet wil dat de diamant opgegeten wordt door dezelfde krokodillen. M’Boela bedreigt heer Bommel vanwege de diamant met een kapmes, maar Tom Poes redt de situatie. Hij trekt zijn vriend aan de kant en duwt de boomstam met M’Boela verder de rivier in. Zelf bereiken ze op een door Tom Poes gebouwd vlotje na twee dagen een kleine stad. Ze huren daar een vliegtuig met piloot om naar Rommeldam te vliegen. Maar onderweg trekt de piloot een revolver. Hij eist en ontvangt het doosje en verlaat per parachute het vliegtuig. Tom Poes neemt de besturing over maar de benzine is al snel op. Hij weet het vliegtuigje toch nog te laten landen op een rijdende vrachtwagen, die vlak daarvoor door de piloot bij een boerderij was gestolen. Tom Poes klimt vervolgens in de vrachtauto en laat hem vlak voor een ravijn stoppen. Even later kan hij het opnieuw buitgemaakte doosje aan heer Bommel overhandigen. Terwijl de plaatselijke politie heer Bommel ondervraagt, start de piloot weer het vliegtuig en vliegt kordaat weg. Hij gebruikte stiekem de vrachtautobenzine voor zijn vliegtuig en zet koers zonder diamant naar de stad Rommeldam voor het eindspel. Ook Tom Poes weet door handelend optreden aan de ondervraging van de lokale agenten te ontkomen en rijdt snel weg van het ravijn.

Op het vliegveld van Rommeldam waarschuwt een piloot van een juist geland vliegtuigje commissaris Bulle Bas. Een voortvluchtige misdadiger is in aantocht, vermomd als een bekende ingezetene. Desgevraagd geeft hij toe dat de vermomming die is van de bekende Olivier B. Bommel. Dientengevolge worden heer Bommel en Tom Poes na hun landing op het vliegveld meegenomen door drie politieagenten en vervolgens bij commissaris Bulle Bas gebracht. Heer Bommel wordt ervan beschuldigd Mom Bakkesz te zijn, ook al ontkent ook Tom Poes dat. Maar tot overmaat van ramp zit er naast Bulle Bas ook een heer in ruitjesjas, die beweert heer Bommel te zijn. En als bij de binnengebrachte heer Bommel het doosje wordt gevonden heeft Bulle Bas zijn bewijs rond. Het figuur in de ruitjesjas neemt het doosje in ontvangst en wordt door de politie per motor naar slot Bommelstein gebracht. Maar een paar minuten later moet brigadier Snuf vaststellen dat de heer Bommel die op het politiebureau is aangehouden, een echte heer Bommel is. Geen namaak. De complete politiemacht vertrekt nu naar kasteel Bommelstein. Aldaar zegt bediende Joost tegen heer Bommel dat hij hem zojuist al heeft binnengelaten.

Buiten geeft Bulle Bas zijn manschappen opdracht het slot Bommelstein te omsingelen en niemand te laten passeren. Zelf gaat hij naar binnen. Tom Poes heeft dan al aan heer Bommel voorgesteld om de onbewoonde vleugel van Bommelstein te doorzoeken. Aldaar meldt detective Jim Mufkins zich weer en heer Bommel neemt hem in vertrouwen. De speurder wil dat heer Bommel een geheime gang open zet, nu het hele kasteel wordt bewaakt. Via de geheime gang zal Mom Bakkesz ontsnappen en daar kunnen ze hem dan makkelijk grijpen. Heer Bommel vindt na lang zoeken een geheime veer, om de geheime gang te kunnen openen. De detective staat klaar met een gummistok om de kasteelheer neer te slaan. Maar Tom Poes is nog slimmer en slaat de speurder op het hoofd met een stuk hout, als heer Bommel eindelijk de geheime deur open maakt. Heer Bommel maakt eerst bezwaar, maar als Tom Poes hem een doosje uit de zak van de detective overhandigt, begint heer Bommel te begrijpen dat Jim Mufkins Mom Bakkesz is. Commissaris Bulle Bas neemt de privédetective mee om hem achter slot en grendel te zetten. Hij kan niet nalaten Tom Poes alle eer van de arrestatie te geven, omdat heer Bommel zich had laten misleiden en zo stom was de geheime deur te openen. Bediende Joost vraagt nu aandacht voor het slapende oude mannetje. Heer Bommel beseft nu voor wie hij alles heeft gedaan en opgewekt biedt hij het kereltje het herwonnen doosje aan. Maar als hij het doosje eerst zelf open maakt, ziet heer Bommel dat het doosje leeg is. De diamant is weg. Hierop toont het uitgeslapen kereltje de diamant, die al die tijd in zijn kleding was verborgen. Toen hij Mom rond zag zwerven dacht hij dat Oltje toch wel erg jong was. Dus stopte hij de diamant weer in zijn eigen zak. Heer Bommel beseft nu dat hij de halve wereld heeft afgezworven omwille van een leeg doosje.[10]

Maar nu meldt bediende Joost dat de maaltijd klaar is. Tom Poes, heer Bommel en hun bezoeker schuiven aan. Heer Bommel vindt het toch maar mooi werk dat Mom Bakkesz nu in een cel is opgesloten. Het mannetje is blij dat hij na eeuwen weer eens een poosje heeft geslapen. Hij neemt afscheid en belooft als Oltje groot is nog eens langs te komen. Heer Bommel zegt nu nog maar eens dat zijn naam Olivier B. Bommel is. Tom Poes beaamt het en het kereltje verdwijnt in de avondnevels.

Voetnoot

  1. Niet te verwarren met De Zwarte Zwadderneel, Zwadke Kornelisz.
  2. Op 28 maart 1985 onthult het NRC Handelsblad in stripstrook 01677 dat het hier de dwerg Kwetal betreft. Het is dan een inleiding op de herpublicatie 34 jaar later.
  3. Het mannetje stelt: “Je schaaft en je beschaaft en dan krijg je iets, wat je beschaving zou kunnen noemen.”
  4. Mom Bakkeszoon, uitvinder van het schertsmasker.
  5. Hij neemt plaats op de voorkant van de Oude Schicht.
  6. Locatie kruising van Grote Brink met de Gerard Ribbelstraat. De Oude Schicht is nu maanden uit de roulatie.
  7. Deze muiterij is een dieptepunt voor kapitein Wal Rus, die later weer wordt teruggevraagd door zijn bemanning.
  8. Deze geschiedenis doet sterk denken aan de historische muiterij op de Bounty.
  9. Hij denkt dat het een vermomming is van Mom Bakkesz.
  10. De meeste tijd gaat verloren aan het zoeken van dingen die er niet zijn.
Voorganger:
De Partij van de Blijheid
Bommelsaga
30 mei 1951 - 27 augustus 1951
Opvolger:
De kneep van Knipmenis