Ontlening (taalkunde)

Ga naar: navigatie, zoeken

Ontlening is een taalkundig fenomeen dat inhoudt dat een taalelement uit de ene taal wordt overgenomen in een andere.

Ontlening kan op vele niveaus van de taal voorkomen, maar wordt op sommige niveaus wel veelvuldiger aangetroffen dan op andere. Zo is ontlening van klanken en van zinsbouw weinig frequent. Ontlening van woorden komt veel vaker voor, [1] maar ook daar is weer onderscheid: vooral zelfstandige naamwoorden worden overgenomen. Enkele voorbeelden volgen.

Lexicon

Leenwoorden

Zie Leenwoord voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

We spreken van een leenwoord indien zowel woordvorm als woordbetekenis aan een vreemde taal zijn ontleend (het gaat niet om uitlenen, maar om ontlenen): computer, maar ook tafel. De term Lehnwort werd in de negentiende eeuw in het Duits ingevoerd, en vond ingang in andere talen: ons "leenwoord" is dus zelf ook een leenwoord. Leenwoorden die vanuit één taal in heel veel andere talen zijn overgenomen worden zwerfwoorden (Duits: Wandelwort) genoemd.

Soms wijzigt de doeltaal het woord om het beter te doen passen bij de reeds bestaande woorden. Dan spreken we van een bastaardwoord.

Een speciaal soort leenwoorden zijn tatsam-woorden. Dit zijn vrij kunstmatig in het leven geroepen woorden die gebaseerd worden op een al dode taal zoals Latijn, Oudgrieks of Sanskriet om een nieuw begrip te dekken. Veel internationaal en wetenschappelijk materiaal is van deze aard.

Leenbetekenissen

Zie Leenbetekenis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Wanneer een woord in de brontaal en één in de doeltaal een betekenis gemeen hebben, kan een bijkomende betekenis van het brontaalwoord overgedragen worden naar het doeltaalwoord. Zo betekende hemel in de Germaanse talen aanvankelijk weinig anders dan "de lucht boven ons"; bij de kerstening werd de betekenis "het bovenaardse" daaraan toegevoegd. Het Latijnse equivalent, caelum had namelijk beide betekenissen.

Leenvertalingen

Zie Leenvertaling voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Wanneer de sprekers van de doeltaal ook vertrouwd zijn met de brontaal van het nieuwe begrip, vertalen zij de verschillende elementen van het begrip soms woord voor woord. Zo ontstaan leenvertalingen. Deze vertalingen zijn steeds samenstellingen of afleidingen en kunnen op hun beurt gevormd worden met ontleend materiaal. Het Latijnse paen(e)-insula is bijvoorbeeld letterlijk in het Nederlands overgezet tot "schier-eiland" (de koppeltekens zijn hier toegevoegd om de structuur aan te geven).

Syntaxis

  • Elementen uit de zinsbouw van de ene taal kunnen worden overgenomen in de andere. Zo komt in het Nederlands tegenwoordig, onder invloed van het Engels, veelvuldig de combinatie <voorzetsel + afhankelijke bijzin> voor:
We braken ons het hoofd over hoe we nu verder moesten
heeft het oudere
We braken ons het hoofd over de vraag hoe we nu verder moesten
goeddeels verdrongen.
  • In de renaissance namen auteurs als P.C. Hooft constructies uit het Latijn over, die echter in de loop der eeuwen weer minder frequent werden:
Den Bisschoppe van Luik gewarde de stadt Bouillon; blyvende nochtans de zaak van Sedan in haar geheel. [2]
(Aan de Bisschop van Luik viel de stad Bouillon ten deel, terwijl nochtans bij Sedan de zaak intact bleef.
  • Sommige van deze deelwoordconstructies zijn echter een eigen leven gaan leiden als modern-Nederlandse voorzetsels:
gedurende, hangende.

Vormleer

Vormelementen passen zich bij ontlening vaak aan aan de ontvangende taal. Zo gebruiken Nederlandssprekenden vaak het meervoud testen, met een Nederlandse meervoudsuitgang, naast tests:

De resultaten van de testen/tests worden morgen verwacht, dus iedereen houdt de adem in!

Toch kunnen morfemen wel degelijk in een andere taal overgaan. Een recent voorbeeld is het vrij plotseling in het Engels opduikende gebruik van het Duitse voorvoegsel über in niet-politieke context, terwijl het Engels zelf in die betekenis reeds beschikt over over en (vooral Amerikaans) overly. Al van veel ouder datum is uiteraard het Latijnse super- in bijvoorbeeld Engels superpower en Nederlands "supermacht".
Maar oudere ontleningen zijn vaak nauwelijks meer als vreemd element herkenbaar: aarts- komt uit het Latijn, -ij uit het Frans, maar we combineren ze in Nederlandse woorden als "aartsvijand", "heerschappij".

Klankleer

De klanken in een geleend taalelement passen zich vaak aan aan de fonotaxis en de fonologie van de ontlenende taal. Nederlanders spreken de kids uit op de Nederlandse wijze ("de kits"), Amerikaanse journalisten spreken van "Tibilisi" als zij de stad Tblisi bedoelen, en wij hebben in het woord Sanskrt een /i/ ingevoegd: "Sanskriet".

Toch worden klanken wel ontleend, en met name in mengtalen, waardoor in eerste instantie een "accent" ontstaat, zoals dat van Indische Nederlanders: zij spreken de eind-/h/ in adoeh uit, overeenkomstig de donortaal, het Indonesisch.

Ook een klemtoon kan ontleend worden. Zo is de Nederlandse eindklemtoon, in woorden als eigenares, geen oorspronkelijk Nederlands verschijnsel: toen er woorden op -es uit het Frans werden geleend, kwam de eindklemtoon mee. Aangenomen wordt dat deze eindklemtoon vervolgens invloed heeft gehad op woorden die eindigden op het Nederlandse -in: ook dat achtervoegsel kreeg de klemtoon, hetgeen oorspronkelijk niet het geval was geweest. (Vergelijk Duits Königin met Nederlands koningin.)

Noten

  1. Een recente steekproef (Nicoline van der Sijs, Groot leenwoordenboek, Utrecht/Antwerpen 2005) kwam tot 30% van de woordenschat, maar schattingen lopen zeer uiteen, zijn afhankelijk van de definitie van het begrip "woord", van het bestudeerde taalmateriaal en van andere factoren
  2. Nederlandsche Historien