Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties

Ga naar: navigatie, zoeken
Resolutie 181
Van de Algemene Vergadering van de VN
Datum 29 november 1947
Nr. vergadering 128
Code A/RES/181(II)
Stemming
voor
33
onth.
10
tegen
13
niet
1
Onderwerp Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog
Beslissing Beëindiging van het Britse mandaatgebied Palestina
Creatie van een Arabische én een Joodse staat in Palestina.
Kaart verdelingsplan.

Resolutie 181 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 29 november 1947 behandelde het toekomstig bestuur van het Mandaatgebied Palestina. Hierbij werd besloten dat, na beëindiging van het Britse mandaat over Palestina, dit land verdeeld zou worden in een onafhankelijke Joodse en een onafhankelijke Arabische staat, volgens het opgestelde Verdelingsplan. Dit is de VN-resolutie waarop de vorming van de staat Israël gebaseerd is.

Inhoud

De resolutie bestond uit drie delen.

Deel I

In deel I werd onder meer gesteld dat:

  • het Brits mandaat zo spoedig mogelijk beëindigd moet worden en het Britse leger Palestina uiterlijk 1 augustus 1948 verlaten moet hebben;
  • er uiterlijk 1 oktober 1948 een onafhankelijke Joodse en een onafhankelijke Arabische staat moeten zijn, en de stad Jeruzalem met de directe omgeving een corpus separatum wordt onder Bijzonder Internationaal Bestuur van de V.N., met grenzen volgens het Verdelingsplan; waarbij dorpen niet gesplitst mogen worden, tenzij dringende redenen dat noodzakelijk maken;
  • er in de beide staten, uiterlijk twee maanden na de terugtrekking van het Britse leger, democratische verkiezingen gehouden moeten worden en dat de inwoners van Jeruzalem kunnen kiezen om te stemmen in respectievelijk de Joodse of de Arabische staat;
  • vrouwen kunnen stemmen en gekozen kunnen worden;
  • men het burgerschap krijgt van de staat waarin men woont en daar alle burgerlijke en politieke rechten geniet, inclusief echtgenoot en minderjarige kinderen;
  • de staat gebonden is aan internationale conventies;
  • de staten zich verplichten zich verre te houden van dreiging of geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige staat of van wat in strijd is met de doelen va de Verenigde Naties (conform Artikel 39 en 41 van het Handvest van de Verenigde Naties);
  • de staten voor alle personen gelijke rechten moeten waarborgen en zonder discriminatie minderheden moeten respecteren, ten aanzien van burgerlijke, politieke, economische en religieuze zaken, en het genot van mensenrechten en fundamentele vrijheid van religie, taal, spreken en publiceren, onderwijs, vergadering en vereniging;
  • de staten vrijheid van vervoer en bezoek moeten beschermen en veiligheid voor alle inwoners en burgers van de andere staat en van de stad Jeruzalem die binnen ieders grenzen zijn;
  • heilige plaatsen vrij toegankelijk moeten zijn, rekening houdend met bestaande rechten en godsdienstoefeningen respecterend; en dat ze onderhouden moeten worden;
  • grond in het bezit van een Arabier in de Joodse staat en grond in het bezit van een Jood in de Arabische staat niet onteigend mag worden tenzij voor openbare doeleinden, in welk geval er schadevergoeding betaald zal moeten worden;
  • er een commissie ingesteld moet worden voor samenwerking op economisch gebied, en toezicht op het voldoen van financiële verplichtingen; en dat gezamenlijke plannen alleen met instemming van beide staten uitgevoerd mogen worden, en met Jeruzalem als die er direct bij betrokken is.

De uitvoering en alles wat ermee te maken heeft moet voor een periode van 10 jaar van kracht blijven en zal voortduren tot een aankondiging om te stoppen door welke partij dan ook is gegeven; wat dan twee jaar later in kan gaan. Gedurende de tien jaar mag er niets veranderd worden dan alleen met toestemming van beide partijen en goedkeuring van de Algemene Vergadering. Wanneer de onafhankelijkheid van ofwel de Arabische dan wel de Joodse staat ten uitvoer is gebracht zoals in dit plan is beschreven, en de resolutie en uitvoering ervan zoals in dit plan is beschreven door wie dan ook van hen ondertekend is, dan zou welwillend zijn inschrijving in overweging genomen moeten worden voor toelating tot zijn lidmaatschap in de Verenigde Naties in overeenstemming met Artikel 4 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Elk geschil dat gerelateerd is aan de toepassing of interpretatie van de resolutie moet op verzoek van welk van beide partijen dan ook, voorgelegd worden aan het Internationaal Hof van Justitie, tenzij de partijen besluiten tot een andere manier om tot overeenkomst te komen.

Grenzen

Deel II van de resolutie beschrijft de grenzen van zowel de Arabische als de Joodse staat die uiterlijk 1 oktober 1948 gevormd moeten zijn.

Palestina wordt in acht delen verdeeld, waarvan drie toebedeeld zijn aan de Arabische Staat en drie aan de Joodse Staat. Het zevende deel betreft de stad Jaffa. Dat moet een Arabische enclave worden in Joods gebied.

Het achtste deel gaat over Jeruzalem, dat internationale bestuurd zal worden door het United Nations Trusteeship Council.[1]

Jeruzalem

Deel III beschrijft het bestuur, de grenzen en het statuut van de stad Jeruzalem. Het statuut voor Jeruzalem mag niet later dan 1 oktober 1948 van kracht worden en zal nog 10 jaar van kracht blijven. Na afloop van deze periode moet er een evaluatie plaatsvinden door de Raad van Bestuur over het functioneren ervan. De inwoners van de stad moeten dan de vrijheid hebben om in een referendum hun wensen te kennen te geven voor een eventuele wijziging van het bestuur van de stad.

De Algemene Vergadering stelde een Commissie in die de aanbevelingen van de Algemene Vergadering, onder leiding en volgens de maatregelen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, moest helpen uitvoeren samen met de mandataris, het Verenigd Koninkrijk. Deze Commissie moest geleidelijk de verantwoordelijkheid overnemen in de gebieden waar de Britse strijdkrachten zich terugtrokken.[2]

Reacties van de betrokken partijen

Dit plan, dat de vorming van een Joodse staat inhield, werd omhelsd door het Jewish Agency for Palestine. Alle Arabische leiders verzetten zich heftig tegen het plan, aangezien het volgens hen de principes uit het Handvest van de Verenigde Naties ten aanzien van zelfbeschikkingsrecht schond. Ook verklaarden zij dat ze zich zouden verzetten tegen elk ontwerp dat zou leiden tot opsplitsing, segregatie of deling van Palestina, of dat bijzondere voorkeursrechten en status zou geven aan een minderheid.[3]

Vervolgens braken gewelddadigheden uit die uitmondden in een burgeroorlog en, vanaf de terugtrekking van de Britten op 14 mei 1948, de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948, waarin

Zie ook

Externe links