Vriend Vijand

Ga naar: navigatie, zoeken

Heer Bommel en vriend Vijand (in boekuitgaven/spraakgebruik verkort tot Vriend Vijand) is een verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 24 oktober 1952 en liep tot 13 januari 1953. Het thema is een uiterst geheime operatie van de stad Rommeldam.

Het verhaal

Bij zijn bezoek aan het kasteel Bommelstein krijgt Tom Poes te horen van een uit de krant voorlezende heer Bommel dat één eilandengroep de beschaving verdedigt. Samen zoeken ze een schip dat daarheen vaart en dat blijkt nu juist de o zo bekende Albatros te zijn, die koers zet naar de eilandengroep de Parateneilanden. Kapitein Wal Rus verwijst: ‘Bobbels’ voor een hut door naar zijn hofmeester.

Heer Bommel en Tom Poes worden na enige dagen varen bekwaam door een sloep afgezet op een kaal rotseiland met enkele huizen op palen. Schilder Terpen Tijn woont en werkt er in zo’n huis met alleen een zolder. Het is een artiestenstad. De schilder beschildert metalen eivormige bollen en heer Bommel en Tom Poes helpen mee. Ook ambtenaar Dorknoper is aldaar aanwezig om de verschuldigde kunstsubsidies toe te kennen. Hij is lid van de ‘Paraten’, die de beschaving bewaken. Heer Bommel en Tom Poes worden ook in het atelier aan het werk gezet om de bollen te beschilderen. Ze krijgen schik in het werk. Aan het eind van de dag heeft de kasteelheer één bol af, waar hij wel meteen erg aan gehecht is. Terpen Tijn rekent in dozijnen. Bovendien is heer Bommel verplicht afstand te doen van zijn beschilderde bol. Heer Bommel gaat buiten weer op zoek naar zijn bloemetjesbol, terwijl Terpen Tijn Tom Poes uitlegt, dat hij niet meer voor de kunst werkt maar om de cultuur te verdedigen.

Tom Poes gaat met een diepbedroefde heer Ollie een fabriek in, op zoek naar de verdwenen bol. Ze zien dat de bollen aan een lopende band worden gevuld met een grijs poeder. De fabriek staat onder leiding van professor Sickbock. Die legt uit dat de fabrieksarbeiders robots zijn, opgebouwd uit de ringengerling. Daarom ontstaan er uit elkaar gevallen robots, spontaan nieuwe fabrieksarbeiders. Omdat heer Bommel nog steeds achter zijn bloemetjesbol aanzit, ontstaat er enige opschudding. Ambtenaar Dorknoper komt binnen en spreekt de professor bestraffend toe. Deze twee wilde figuren brengen de cultuurbescherming in gevaar. Op een rotspunt van het eiland schiet een kanon voortdurend beschilderde bommen af. Heer Bommel probeert zijn bloemetjesbol van het afschieten te redden, maar hij stort omlaag. Tom Poes discussieert nog korte tijd met Dorknoper, maar die legt het nog één keer uit.

Metalen bollen worden beschilderd om de kunst te steunen. Ze worden weggeschoten om de kunst te beschermen. Het is de oefening Kunstbol, gericht tegen de vijand. Wie dat niet begrijpt is een spion!”

Professor Sickbock meent dat heer Bommel en Tom Poes ‘niet paraat’, zijn. Hierop springt Tom Poes zijn vriend achterna de zee in. Boven op het klif zien Dorknoper en Sickbock vol argwaan dat de twee vrienden een schip bereiken. Terwijl heer Bommel en Tom Poes uitrusten op het dek in een ligstoel, ziet kapitein Wal Rus dat zijn schip wordt beschoten. Onder deze voortdurende beschietingen bereikt het schip een volgend eiland. Heer Bommel en Tom Poes krijgen een paar uurtjes om op onderzoek te gaan. Op de top van de berg staat een wit gebouw met zuilen, waarin de wind vrij spel heeft. Daar schrijft journalist Argus aan de lopende band richtlijnen en artikelen tegen de vijand, en met hem vele collega's. Ze zijn paraat en maken veel werk van het verspreiden van de pamfletten via de lucht. Wel raken ze in paniek als ze vreemde voetsporen beneden op het strand zien. Tom Poes gaat op onderzoek uit en treft op een rotsblok kapitein Wal Rus aan met zijn neef Robertus. De kapitein besluit met zijn twee passagiers verder te varen, richting zijn familie in het noorden. Ambtenaar Dorknoper landt per helikopter en spreekt journalist Argus aan. Bommel O.B. en Poes T. zijn spionnen. Ze passen niet in het paraten-streven. Argus besluit nu dat wie niet paraat is, een spion is.

Heer Bommel krijgt intussen een derde eiland onder ogen. Het oogt als een spons en dat komt volgens de kapitein door de vele mijngangen. De autochtone goudkevers zijn voor hun voedsel afhankelijk van passerende schepen. De kapitein laat dan ook zijn kok de kevers wat te eten geven. Op dit derde eiland worden de goudkevers uitgeperst door de persvogels. De kevers hakken goud uit de rotsen en heer Bommel gaat vrijwillig meehakken. Hij heeft na een tijd een grote zak goud op zijn rug en Tom Poes een kleintje. Maar een goudkever legt uit dat ze langs een persvogel moeten, die het land beschermt. De twee vrienden lopen stug door en ontmoeten een persvogel, die uitvoerrechten en accijnzen wil opleggen. De twee vrienden vluchten weg met het goud, maar raken het gedolven goud toch kwijt op hun vlucht voor een meute van achtervolgende persvogels. Op het strand lopen ze meedogenloos ambtenaar eerste klasse Dorknoper tegen de grond. Deze functionaris wilde hun enige vragen stellen. De groep van ijverig achtervolgende persvogels brengt de ambtenaar weer bij zijn positieven en ze enteren gezamenlijk de valreep van het schip de Albatros, waar heer Bommel en Tom Poes al op zijn geklommen. Maar de kapitein vaart kalmpjes weg en laat het groepje achtervolgers tussen de wal en het schip in het water vallen. Heer Bommel geeft de woedende kapitein toestemming de valreep op zijn relening te zetten.

Maar ambtenaar eerste klasse Dorknoper landt per helikopter op het weggevaren schip. Hij gebruikt zijn volmachten binnen de driemijlszone om de vluchtelingen op het schip op te sporen. Tom Poes trekt heer Bommel mee de onbeheerde helikopter in en ze vliegen weg. Maar Dorknoper vliegt mee, onderaan een touwladder hangend. Commissaris Bulle Bas is voor studiedoeleinden ook op de Parateneilanden. Hij krijgt het bericht door van een ontvoerde ambtenaar en zet direct met zijn dienstvliegtuig de achtervolging van de helikopter in, richting Noordpool. Maar binnen in de helikopter begint ook heer Bommel zich zorgen te maken. Volgens de boordradio hangt er ergens een verkleumde ambtenaar aan een touwladder van een helikopter. Hij besluit de vervelende ambtenaar toch maar naar binnen te hijsen. Commissaris Bulle Bas krijgt via zijn boordradio de stemmen van Tom Poes en heer Bommel te horen en geeft hun daarop opdracht te landen. Robertus de walrus woont op de landingsplaats en nodigt de ruziemakende gasten uit in zijn iglo. Bij een vuurtje praat ambtenaar eerste klasse Dorknoper zijn toehoorders bij over het werken en streven van de Parateneilanden en het mooie van het paraat zijn. Op dat moment komt commissaris Bulle Bas met getrokken revolver de hut binnen. Terwijl ambtenaar Dorknoper zich verheugt over zijn komst, daalt de stemming in de iglo snel. Dorknoper meent dat de vijand binnen in de iglo is, maar op dat moment wordt de complete iglo van buiten af kapot geschoten. Piloot Wafelbakker van het politievliegtuig, die buiten op wacht stond, meent dat er iets ontplofte. Voor ambtenaar Dorknoper is nu het bewijs geleverd dat heer Bommel niet de vijand is en hij biedt beleefd zijn excuus aan. Strandvoogd Robertus heeft intussen het afgeschoten projectiel ontdekt en bergt het op in een grote iglo, die boordevol ligt met gouden beschilderde bommen. Ook heer Bommel vindt daar zijn bloemetjesbol terug. Het trio Dorknoper, Bulle Bas en Wafelbakker wordt opnieuw beschoten door een bom, deze keer een blindganger. Ook deze neemt Robertus verheugd in ontvangst. Commissaris Bulle Bas krijgt tot zijn verbazing te horen dat alle bommen van goud zijn. Maar Dorknoper weet nu wie het land van Robertus beschiet.[1] Heer Bommel laat nu vol trots zijn fraai beschilderde gouden bol zien. Als de commissaris deze in beslag wil nemen, verwijst Tom Poes hem snel naar de voorraadiglo. Bulle Bas wil de hele dekselse goudenbommenvoorraad in beslag nemen, maar ambtenaar Dorknoper ziet het een slagje anders: “Het zijn bommen die afgeschoten zijn. En het lijkt me duidelijk dat degene die ermee beschoten is, de eigenaar wordt. Welnu, de beschotene is de heer Rus hier.”

Commissaris Bulle Bas stelt dat dit impliceert dat Robertus de vijand is, omdat hij wordt beschoten. Maar dat vindt de strandvoogd geen probleem. Met het goud gaat hij de Parateneilanden opkopen. Dus laat ze nog maar even blijven schieten. Kapitein Wal Rus is na 12 jaar eindelijk opnieuw in zijn vaderland aangekomen. Hij verheugt zich op de rust aldaar. Maar tot zijn ontzetting komen Bulle Bas en Dorknoper zijn schip tegemoet. Zijn neef Robertus wil met zijn bollen meevaren, commissaris Bulle Bas wil ze in beslag nemen en Dorknoper steunt hem. Het zijn cultuurbollen en hij vraagt zich bovendien af of heer Robertus Rus de vijand niet is? In deze chaos lenen Tom Poes en heer Bommel opnieuw de helikopter en ze vliegen rechtstreeks naar slot Bommelstein. Heer Olivier stapt glunderend uit met zijn bloemetjesbom en krijgt van bediende Joost te horen dat de maaltijd gereed is. Aan het eind van de maaltijd brengt Joost het avondblad. Er is een gevonden schat in het poolgebied. Heer Bommel leest hardop voor:

“Is de bom waarmee iemand beschoten wordt eigendom van de getroffene? Is degene die beschoten wordt de vijand?” Dit zijn twee vragen die in het middelpunt van de belangstelling staan. De voortvarende ambtenaar eerste klasse Dorknoper heeft de kwestie ter oplossing aan een speciale commissie voorgelegd. Heer Bommel concludeert ten slotte: "Als ze mij nu maar met rust laten. Met politiek laat ik mij niet in,[2] dat weet iedereen.” Vervolgens loopt hij naar een fraai zuil, waarbovenop zijn bloemetjesbom ligt te pronken. Tom Poes zegt: “Hm. Ik zou zo’n ding niet in mijn huis willen hebben, heer Ollie. Een bom kan altijd ontploffen.”

Voetnoot

  1. De Parateneilanden
  2. Zie voor het tegendeel onder andere het eerdere verhaal: De Partij van de Blijheid
Voorganger:
De gebroeders Weeromstuit
Bommelsaga
24 oktober 1952 - 13 januari 1953
Opvolger:
De wenswerkster